Goed doel

Nederlanders geven niet meer zoveel aan goede doelen, zo staat in NRC Handelsblad van 21 september. Waarom? De doelen zijn niet goed meer. Ik was even in Afrika. Afrika is een enorm groot goed doel, een steeds minder goed doel. Vroeger was een gulden genoeg om een hongerend Afrikaans kindje vijf jaar lang te voeden.

Overigens, Afrikaanse kindertjes hebben het vermogen om gelukkig te zijn zonder eten. De gulden liet ze langer gelukkig leven. Dat betekende meer geluk in de wereld en dat zouden we indirect wel merken.

Nu knaagt de twijfel. Dertig, veertig jaar na de dekolonisatie en dus sinds het begin van de ontwikkelingshulp struikel je in Afrika over de desillusies, de erosie van het goede in de doelen. Ontwikkelingswerkers gaan ernaar toe voor hun eigen genoegen en mocht het genoegen niet zo genoeglijk zijn, dan voor hun eigen ziel. De wereld verbeteren kun je beter thuis. Daar is je gulden een gulden waard. In Afrika verroest 'ie.

Er is nog een argument tegen ontwikkelingshulp. Als het echt mogelijk zou zijn om in Afrika westerse welvaart te brengen, dan komen V&D's, C&A's, A&P's of klonen ervan waar nu nog kralen staan en zwarte kindertjes naar in auto's passerende blanken zwaaien. Dan is het daar niet leuk meer. Ach, zwarte kindertjes die naar je zwaaien, laat het altijd zo blijven. Zo te zien lukt dat ook.

Nee, dat is ook te gek. Het mag niet eeuwig doorgaan op dit continent met oorlogen, armoe en hongersnood, aids, corruptie en geweld. We moeten toch iets doen? Maar wat? Op welke wijze moet ontwikkelingshulp aangewend worden? Daaraan denkt een mens rijdend over een door Duitsland betaalde asfaltweg van een door Nederlanders gerund ziekenhuis naar een van missiegelden gebouwde school, terwijl hij terugzwaait naar de kindertjes. Waar moet het kleine beetje geld naar toe: naar gezondheidszorg, onderwijs, infrastructuur, noodhulp, schuldsanering?

Ik kies voor onderwijs. Al het andere daar gebracht verdwijnt in het niets als er niet de kennis is als zachte bedding voor dat andere. Naast of bovenop het normale onderwijs is nog ander onderricht nodig. Haynes, Amerikaans leraar aan een Afrikaanse school, had het over de 'appalling professional standards' van zijn Afrikaanse collega's. De helft van de lessen komen ze niet opdagen en de helft van de tijd dat ze er wel zijn, geven ze geen les. Haynes zag er niet uit als een rancuneuze racist. Zijn collega's houden zich niet aan de regels, aan onze regels. En zo gaat het wel meer.

We moeten in Afrika dus onze regels, onze waarden en normen onderwijzen. Niet omdat onze waarden en normen beter zijn, maar omdat zonder onze regels ons soort welvaart niet kan bestaan. Neem het verschijnsel tijd. Arme onderontwikkelden hebben, heel sympathiek, tijd genoeg. Tijd beheerst hun leven niet. Dat moet veranderen. Op tijd leven is niet aangenaam, maar wel nuttig. Het verhoogt het rendement van ons handelen en dat levert auto's, ijskasten, vakanties in het buitenland en andere leuke dingen op, ook voor de mensen in Afrika. Al ontwikkelend zal ook in Afrika tijdnood ontstaan helaas, maar het kan niet anders.

Wie moeten in Afrika onze waarden en normen onderwijzen? Paters natuurlijk. We moeten meer missionarissen naar Afrika sturen. Ze hoeven niet meer katholiek te zijn, want, zo leert ons Cliteur (NRC Handelsblad, 20 september), een publieke moraal kan heel goed zonder god.