De roemloze ondergang van operatie 'red het oerwoud'; Snoepen voor het regenwoud

In de hoogtijdagen van de red-het-oerwoud-acties leek de hele wereld begaan met de oorspronkelijke bewoners van het Braziliaanse regenwoud. Er kwamen reservaten, waar zij in harmonie met de natuur zouden leven van rubber en noten uit het bos. Inmiddels haken buitenlandse bedrijven die de produkten kochten af. Wie lust nog 'rainforest crunch'?

De Nederlandse ontwikkelingsdeskundigen zijn vorige week vertrokken, de Amerikaanse consulent voor verpakkingsmaterialen neemt net afscheid en de internationale delegatie van de Wereldbank zal morgen arriveren. Voor een eenvoudige rubbertappers- en notenraperscoöperatie in een uithoek van Brazilië heeft de Coöperatie Chico Mendes Leeft! heel wat aanloop. Vanuit Rio Branco, de hoofstad van de deelstaat Acre, is het nog ruim vier uur hobbelen over een rode zandweg, tot aan het stadje Xapuri, aan de rivier de Acre. Verder stroomafwaarts is dat een imposante rivier met smakelijke vissen, maar hier niet meer dan een modderig stroompje met graterige guppen.

Het kantoor van de coöperatie staat in het centrum van het dorp, waar alle vijf winkels exact hetzelfde assortiment hangmatten, haarcrème en bijlen bieden. Verder zijn er enkele cafés en één pizzeria. In het weekend wordt een bouwvallig pakhuis omgetoverd tot disco en is er zelfs een videobioscoop waar je 'Twee hete blondines en een paard' kunt zien. De Straat van de Zesde Augustus is de uitgaansstraat van Xapuri. Op de zesde augustus in 1902 begon in dit stadje de beslissende slag van wat hier 'De Grote Revolutie' wordt genoemd.

De Braziliaanse geschiedenisboeken doen er nog steeds opgewonden over. Notabene op de dag dat Bolivia zijn onafhankelijkheid vierde, viel Brazilië het betwiste Acre binnen en voegde het bij het eigen grondgebied. De Brazilianen waren dolblij met het lucratieve wingewest, de leverancier van een nieuw produkt dat zomaar uit de bomen liep en kapitalen opbracht op de wereldmarkt: rubber. Het mooiste was nog dat rubberbomen alleen voorkwamen in het Amazonegebied en dat de beste kwaliteit uit Acre kwam.

Niemand vermoedde dat een Engelsman al in 1875 rubberzaadjes het land uit had weten te smokkelen en plantages had opgezet in Azië, die de prijs van wilde rubber tussen 1910 en 1920 deden kelderen. Acre werd ten slotte een van de armste deelstaten van Brazilië en kon de rest van de eeuw nog slechts overleven met subsidies uit de staatskas.

Lange tijd bleef Acre terra incognita. Zelfs voor de meeste Brazilianen was het tot voor kort niet meer dan een vlek op de landkaart, ver voorbij een denkbeeldige grens die de meerderheid van de bevolking voor geen goud zou overschrijden. De meeste Brazilianen zagen Acre als een onbeduidende provincie met louter armzalige Indianen, verbannen missionarissen en de nakomelingen van voormalige rubbertappers, die zelfs in de goede tijden nooit genoeg hadden kunnen verdienen om zich uit hun schuldslavenij te bevrijden. De rubberbaronnen, in de goede tijd onmetelijk rijk geworden, waren allang op andere handelswaar overstapt. Afgezien van enkelen dan, die in hun paleizen in Manaus “nog jarenlang in zichzelf zijn blijven mompelen”, zoals de Braziliaanse schrijver Marcio Souza het uitdrukte.

Rookwalmen

Het was een moord die Acre opnieuw op de landkaart zette. Op 22 december 1988 werd Francisco Alves Mendes, Chico Mendes, er om het leven gebracht. Hij werd in de hele wereld bekend als de vastbesloten en charismatische strijder voor de rechten van de bosbewoners, met name (ex-)rubbertappers. Zij dreigden te worden verdreven van de grond die ze al generaties lang bewoonden. Grondspeculanten, vooral rijke landeigenaren uit het zuiden van Brazilië, kochten in de jaren zeventig en tachtig enorme lappen grond op in Acre, met het oog op een geplande asfaltweg die deze meest afgelegen Braziliaanse deelstaat in verbinding zou brengen met de Stille Oceaan. De BR 364, dwars door Peru, zou Acre interessant maken voor handelaren in hardhout, en met het oog op de verwachte winsten kwamen grondspeculanten alvast grote stukken in bezit nemen en platbranden. Er waren jaren waarin het vliegveld van Rio Branco maandenlang niet gebruikt kon worden door de rookwalmen. Inwoners van Acre vergaten hoe de zon er ook weer uitzag.

Eerst was het verzet tegen de grootscheepse verwoestingen plaatselijk van aard. Zelfs de direct getroffenen vluchtten liever naar de stad - al wisten ze ook wel dat daar geen werk was - dan dat ze zich verzetten. De angst voor de huurmoordenaars van de landeigenaren was groot.

Slechts een klein groepje bood wel actief verzet en kreeg in de loop der jaren steeds meer aanzien. Vooral in het buitenland, waar het Amazonegebied inmiddels van belang voor de gezondheid van de hele wereld werd geacht. 'De Groene Long van de Aarde' moest worden gered! Uiteindelijk kregen Chico Mendes en zijn medestrijders zelfs voor elkaar wat als onmogelijk werd gezien: de Wereldbank trok de al toegezegde steun aan de aanleg van de BR 364 in. Kort daarop werd Mendes vermoord.

Maar de grootgrondbezitters hadden hun macht overschat. Mendes was te bekend om, zoals al vele vakbondleiders vóór hem, geruisloos te verdwijnen. Ditmaal reageerde de Braziliaanse overheid furieus, met de hete adem van de verontwaardigde wereld in haar nek. De twee hoofdverdachten verdwenen zowaar in de gevangenis - waaruit zij later, toen de storm was geluwd, overigens weer probleemloos konden ontsnappen. Belangrijker was dat er nu haast werd gemaakt met het reddingsplan voor het oerwoud, zoals dat al jarenlang door de vakbond van Mendes was bepleit. Uitgangspunt daarin vormden de zogenaamde extractieve reservaten: grote terreinen waarop de oorspronkelijke bewoners, de (ex-)rubbertappers, in harmonie met de natuur zouden leven. Ze zouden in hun levensonderhoud voorzien door verkoop van produkten uit het bos zoals rubber en paranoten, en het zou dus in hun eigen belang zijn dat bos intact te houden.

Na de dood van Mendes realiseerde de Braziliaanse regering alleen al in Acre drie extractieve reservaten, waarvan de grootste een derde van de oppervlakte van Nederland beslaat. Dat er belangstelling bestond voor oerwoudprodukten betwijfelde niemand: zeker in rijke landen zou men graag wat extra's betalen voor redding van het tropisch bos en voor de eigen gezondheid. Want het idee was inmiddels ingeburgerd dat het Amazone gebied geen vieze en ongezonde groene hel was, zoals de spaarzame reizigers lange tijd hadden gemeld, maar een bron van gezondheid.

Met behulp van de Amerikaanse organisatie Cultural Survival, die gedeeltelijk wordt gefinancierd door de Amerikaanse regering, werden de eerste handelscontacten gelegd met bewoners van het regenwoud. Zo sloot de drogisterijketen Body Shop een contract met Indianen in de Braziliaanse deelstaat Para: zij gingen notenolie leveren voor een haarverzorgingsmiddel. De Amerikaanse ijsfabrikanten 'Ben & Jerry' ontwikkelden hun rainforest crunch, een zoete notenreep. Dit idee was bij hen opgekomen tijdens het Regenwoud Benefietconcert in 1988 van de hippiegroep The Grateful Dead. De benodigde paranoten zouden exclusief worden ingekocht bij de coöperatie van de oude strijdmakkers van Chico Mendes. 'Snoepen voor het regenwoud!' - het klonk bijna te mooi om waar te zijn.

Miljoenencontract

“De wereld is ons een beetje vergeten”, zegt nu Antonio Teixeira Mendes, beter bekend als Duda. Hij is vice-voorzitter van Chico Mendes Leeft! De coöperatie verhandelt de produkten, voornamelijk paranoten, van de reservaten in de buurt. Duda, een neef van Chico, is een wat verlegen man met een gedrongen postuur. Hij wekt de indruk liever op het reservaat noten te rapen dan gesprekken te voeren met het grote aantal vertegenwoordigers van allerhande non-gouvernementele organisaties(NGO's) en de media dat hem bezoekt. Toch zouden de bezoekers de coöperatie goed moeten doen: sinds de dood van Chico Mendes ontving zij volgens eigen opgave één miljoen dollar van organisaties als de Ford Foundation, Cultural Survival, de Novib en de IBAMA, het Braziliaanse overheidsinstituut voor milieubescherming. Volgens andere tellingen zou het zelfs 1,8 miljoen zijn, maar omdat de boeken in het begin niet erg zorgvuldig werden bijgehouden weet niemand het meer precies.

Daarnaast kregen enkele bij de coöperatie aangesloten reservaten van de Wereldbank elk nog één à twee miljoen. Zelfs Robert Redford is nog eens langs gekomen met een miljoenencontract voor een film over Mendes' leven - die overigens niet doorging omdat Mendes' weduwe uiteindelijk koos voor een Braziliaanse filmer.

Nu zijn er problemen in de coöperatie en de reservaten: de arbeidskosten zijn te hoog in vergelijking met de buurlanden Bolivia en Peru en er zijn transportproblemen bij gebrek aan goede toegangswegen. De coöperatie leed lange tijd aan mismanagement. Er was sprake van een administratieve chaos - van een kosten-batenanalyse hadden de leden nog nooit gehoord. Rubbertappers en notenrapers worden niet zomaar managers en boekhouders.

De buitenlandse delegaties komen nu vooral om te zien of er nog iets te redden is van hun investeringen. Dat betekent wellicht een nieuwe kapitaalinjectie, maar liever dat dan de roemloze dood van wat ooit het boegbeeld was de acties die het oerwoud moesten redden. De Nederlandse Novib bijvoorbeeld, heeft steun toegezegd, vertelt Duda tevreden.

De internationale delegatie van de Wereldbank voelt de twee nieuwe managers van de coöperatie aan de tand, allebei jonge jongens uit een ander Brazilië: dat van de economische planningen, boekhoudkundige computerprogramma's en jaarcijfers. Zij worden betaald uit een nog overgebleven subsidiepotje en proberen orde op zaken te stellen. 'De slavendrijvers' worden ze door sommige marxistisch geschoolde kameraden genoemd - hoewel ook zij onderhand beseffen dat eigen baas zijn iets anders is dan het domweg verdelen van de bedrijfsgelden onder alle coöperatieleden. Na het gesprek is de Wereldbank-delegatie er nog steeds niet van overtuigd dat de coöperatie opnieuw geld zou moeten ontvangen. Vooral omdat de vraag naar de afnemers van de paranoten wel erg vaag en ontwijkend werd beantwoord.

Takken en lianen

Duda gaat vandaag weer naar het reservaat. Al bij het beklimmen van de vrachtwagen is het alsof er een last van hem afvalt. “Je begrijpt pas waarom wij zo hechten aan het bos als je er zelf bent geweest”, zegt hij. Hij woont in Cachoeira, waar bijna iedereen familie van hem is en waar indertijd ook zijn neef Chico woonde. Op 24.000 hectare leven tachtig families, ongeveer vijfhonderd mensen. Daarmee is dit verreweg het kleinste reservaat in Acre. Het ligt bovendien het dichtst bij Xapuri, in de droge tijd zo'n drie uur rijden maar in de regentijd vrijwel onbereikbaar.

De vrachtwagen gaat tot de ingang van Cachoeira; de diverse nederzettingen kunnen alleen lopend worden bereikt. Om vandaag de vergadering bij te wonen in het reservaatdorpje Chora Meninho ('Huil Jongen'), moeten sommige deelnemers uren door het bos ploegen. Toch komen ze van alle kanten aanzetten, tot er ten slotte zo'n vijftig mannen, vrouwen en kinderen bij elkaar zijn in de houten loods. De in een kring gelegde zakken paranoten fungeren als stoelen. Het onderwerp van vandaag is, zoals vaak, het gebrekkige transport van de noten naar de stad.

Daarvandaan loopt Duda door het oerwoud naar zijn neef Nilson. In de nederzetting was het warm en benauwd, maar het bos is als een koele kamer en voldoet helemaal aan de romantische opvatting van een maagdelijk oerwoud: stilte, koelte, vogelgeluiden en weelderige kluwens takken en lianen. Na een tocht van twee uur staat daar het huis van Nilson, een blauw-roze optrekje omringd door avocado's, maracuja's en andere fruitbomen. Aan de voet van de helling is een kleine beek met helder drinkwater. Het oogt idyllisch, maar is dit de bedoeling van de extractieve reservaten? Als iedereen hier landbouwer wordt, en ieders kinderen ook weer een extra lapje gaan bewerken, blijft er op den duur weinig oerwoud meer over.

Voorlopig is dat nog helemaal niet het probleem, meent Nilson. Het probleem is dat de meesten geen geld hebben om een moestuin aan te leggen en dat paranoten en het beetje rubber dat ze nog tappen te weinig opleveren. Nilsons vrouw stroopt intussen de huid van een pasgeschoten paca, een soort knaagdier. Aan wild is hier geen gebrek; ook hert en gordeldier staan vanavond op het menu. Hun dochter kraakt onverdroten paranoten op de handpers. Dat levert iets extra's op voor bijvoorbeeld kleren en zeep. Worden de noten in het bakje tussen haar blote voeten straks verwerkt in een trendy rainforest crunch?

“Allang niet meer”, geeft Duda eindelijk toe. Het hoge woord is eruit: Cultural Survival koopt geen noten meer van de coöperatie, al jaren niet meer. Te late leveringen, afgezegde leveringen, ranzige leveringen; tegen zoveel derde wereld-ellende was Ben & Jerry's caring capitalism niet bestand. De coöperatie in Xapuri heeft de hoop inmiddels gevestigd op de binnenlandse markt, want ook in de mondaine steden aan de Braziliaanse kust is het eten van muesli en gezondheidsrepen inmiddels in de mode.

Bij kaarslicht, als de avond is gevallen, lijkt die wereld steeds verder weg. Inslapen bij krekelgetsjilp en gekrijs van apen is in het huis van Nilson en zijn vrouw uitgesloten. Zij hebben zich net bekeerd tot een fanatieke christelijke sekte, en hun krakende cassetterecorder braakt donderpreken uit tot het bos er stil van wordt.

Hardhout

Vooruitgang zou voor de bosbewoners ook hun ondergang zijn. Er zouden wegen moeten komen om hun produkten naar buiten te brengen - maar dan komt ook de buitenwereld binnen. En die buitenwereld heeft nog altijd meer interesse voor hardhout dan voor notenrepen. “Goed beschouwd hebben de reservaten niets te bieden waar de wereld belangstelling voor heeft”, zegt Wim Groeneveld. Jarenlang was hij als onafhankelijk consulent betrokken bij pogingen de reservaten in Acre winstgevend te maken. “Er is alleen hout, maar dat moet nu juist blijven staan.” Groeneveld is gedesillusioneerd geraakt. Paranoten zullen volgens hem nooit genoeg opbrengen, omdat de arbeidskosten in Brazilië zo hoog liggen. “Alleen echte lage-lonenlanden kunnen ze leveren tegen de prijzen die de wereldmarkt ervoor betaalt”, weet hij. Vandaar dat Ben & Jerry hun regenwoud-noten nu in Peru halen: goedkoper en bovendien afkomstig van bedrijven die meer produceren en sneller kunnen leveren. Voor de Body Shop ligt het allemaal net iets anders: zij kopen weliswaar van Indianen in een moeilijk toegankelijk deel van Brazilië, maar dat maakt de deal juist extra aantrekkelijk. De winkelketen werd groot dankzij een ecologisch verantwoord en caring imago. “De Body Shop koopt geen olie, maar marketing. Het produkt is bijzaak”, aldus Groeneveld. “In een liter haarwater zit sowieso maar één druppel paranotenolie.” Ondanks zijn teleurstelling over het functioneren van de extractieve reservaten tot nu toe, hoopt Groeneveld nog op een omslag. Een klein wonder, als het even kan. “Een alternatief is er niet. Zonder reservaten valt het oerwoud ten prooi aan mensen die er niet van houden, maar er alleen aan willen verdienen.”

Malaria

Rio Branco is een uit zijn krachten gegroeid oerwouddorp. Het is te merken dat de grote winsten van de rubber indertijd naar het verre Manaus gingen en niet in Acres hoofdstad werden geïnvesteerd. Saai en armzalig is het hier, met als enige attractie een museum met wat Indiaanse kunstnijverheid en de leerzame geschiedenis van de rubberwinning. Het enige dat Rio Branco onderscheidt van een gehucht als Xapuri zijn de universiteit en de uitgebreide sloppenwijken - treurige gebieden langs de rivier, die onderlopen in de natte tijd en waar cholera en malaria heersen. Afgezien van alcoholisme, werkloosheid, gebroken gezinnen, tienermoeders en nog een waslijst sociale problemen.

Hier zijn duizenden mensen terecht gekomen die, voor de branden uit, de bossen zijn ontvlucht en zich niet durfden verweren tegen de grondspeculanten. Chico Barrosa, bijgenaamd Gordo (Dikke), heeft er heel wat zien komen. Hij woont al achttien jaar bij de rivier, hij kwam als een van de eersten, met zijn ouders. Gordo is voorzitter van de bewonersbelangenvereniging en net iets beter af dan zijn buren, wat is af te zien aan de hoge muur rond zijn huis. Driekwart van de bewoners van 'zijn' sloppenbuurt komt uit het oerwoud, schat hij. “De meesten zijn ongelukkig, maar ze kunnen niet terug. Hun woongebied is verwoest. Wie nu in de reservaten leeft, heeft geluk gehad. Ze zijn wel arm, maar niet miserabel. Ze hebben hun trots, omdat ze zich niet hebben laten wegjagen.” Hij scheldt nog wat op de plaatselijke politici, die er in twintig jaar niet toe zijn gekomen de sloppenwijk te helpen aan water of elektriciteit. “Ik droom vaak van een lapje grond, van vissen en jagen. 's Nachts ben ik altijd terug in het bos. Niet dat ik terug wil naar de tijd van de bazen en de rubberplantages, want dat was de slavenij waar mijn ouders juist voor wegvluchtten. Maar ik heb altijd gedacht dat het toch mogelijk moet zijn om als vrij man in het bos te leven.” Dan bedenkt hij iets waar hij bulderend om moet lachen: “Als de apen het kunnen, waarom wij dan niet?”