De nieuwe aanpak van de Bureaus Vertrouwensarts tegen kindermishandeling; Bij een vuist past geen fluwelen handschoen

Vertrouwensartsen bemiddelen tussen gezinnen waar een kind wordt mishandeld en hulpverleners, maar lang niet altijd met succes. Nieuw op te richten 'advies- en meldpunten kindermishandeling' moeten daarin verandering brengen. Het einde van de omzichtige aanpak: niet meer eindeloos béhandelen, maar handelen. En liefst al voor die eerste klap: 'Als je de ouders hebt geholpen, heb je ook de kinderen geholpen.'

Een baby die bij opname in het ziekenhuis zó hard door elkaar blijkt te zijn geschud, dat het kind er ernstige fracturen en bloedingen aan heeft overgehouden. Een vader die zijn zoon op straat een aframmeling geeft. Ouders die een avond uitgaan en hun baby huilend achterlaten. Een meisje van allochtone komaf dat volgens de buren geen stap zonder haar vader buiten de deur mag zetten. Kinderen die de hele dag naar pornofilms kijken en zich de daarbij behorende gewoonten en vocabulaire eigen hebben gemaakt. Een meisje van twee jaar oud dat regelmatig naast een grote vijver wordt neergezet om er te spelen terwijl moeder op zeven hoog ligt te slapen.

Het zijn meldingen van kindermishandeling uit de praktijk van het Bureau Vertrouwensarts (BVA) in Den Haag, een van de twaalf bureaus in Nederland waar vermoedens van kindermishandeling worden gemeld. Er kwamen vorig jaar in totaal twintigduizend meldingen binnen; vijftienduizend bij de Bureaus Vertrouwensarts en de rest bij de Raden voor de Kinderbescherming en bij de politie. In 1990 waren dat er bij de vertrouwensartsen nog 'maar' achtduizend.

De Bureaus Vertrouwensarts werden in 1972 opgericht om te voldoen aan de wens van artsen om hun eigen vermoedens van kindermishandeling met collega's te kunnen bespreken. Vertrouwensartsen en maatschappelijk werkers werken er samen. De bureaus nemen meldingen op, verifiëren de vermoedens en brengen de - vrijwillige - hulpverlening op gang. Soms wordt de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld, die dwingende maatregelen kan opleggen, zoals ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Maar die 'makelaarsfunctie' tussen gezin en hulpverlening gaat de bureaus niet in alle gevallen goed af, zo blijkt uit het proefschrift 'Kindermishandeling en hulpverlening', waarop pedagoog M. Roelofs onlangs promoveerde. Zij onderzocht 116 dossiers van lichamelijke kindermishandeling uit 1989 en 1990. Dertig procent van alle kinderen bleek later opnieuw te worden aangemeld wegens een vermoeden van lichamelijke mishandeling. Deze gevallen maken zo'n twintig procent van alle meldingen uit.

Bijna de helft van de meldingen komt uit de directe omgeving van het kind, de rest van onder meer artsen, onderwijzers, politie en welzijnswerkers. Het overgrote deel van de vermoedens van mishandeling blijkt na onderzoek terecht te zijn geweest. Bijna altijd is daaraan een langere periode van veelal frequente mishandeling vooraf gegaan. Bovendien wordt slechts in één op de vijf gevallen daadwerkelijk ergens aan de bel getrokken, blijkt uit recent onderzoek van de eind 1994 ingestelde Werkgroep meldpunt kindermishandeling. Deze werkgroep, onder leiding van prof. dr. J.M.A. Hermanns, hoogleraar algemene opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam, onderzoekt op dit moment de mogelijkheden tot een betere afhandeling van meldingen, waarin meer recht wordt gedaan aan de directe nood van het kind èn aan de wettelijke plicht om ouders in een vroeg stadium te informeren over de melding. De werkgroep heeft een protocol opgesteld voor nieuw op te richten 'advies- en meldpunten kindermishandeling' waarin de Bureaus Vertrouwensarts moeten opgaan. Daar moet beter worden samengewerkt met de politie en de Raad voor de Kinderbescherming. De bureaus in Amsterdam, Assen en Leeuwarden werken sinds enkele maanden volgens deze nieuwe opzet. Deze 'modelprojecten' duren tot april volgend jaar. Eind 1997 geeft de commissie-Hermanns een definitief advies aan de staatssecretarissen van Justitie en Welzijn.

Hermanns: “De Bureaus Vertrouwenartsen zijn vrij hulpverleningsgericht. Maar daardoor werken ze ook omzichtig en niet altijd doelgericht en effectvol. Men benadert een gezin pas als men vrij zeker is van de mishandeling, om te voorkomen dat het gezin zegt 'er is niets van waar' en zich sluit voor de hulpverlening. Dat is een legitieme benadering, maar de ernstig mishandelde kinderen lijden daaronder. Wij zijn voorstander van een rechtstreekse, open benadering van medewerkers die zeggen: 'Ik ga pas weg als ik erop kan vertrouwen dat het kind niet mishandeld wordt.”

Chronische schade

Bij het Haagse Bureau Vertrouwensarts komen jaarlijks twaalfhonderd meldingen binnen, het dubbele van vier jaar geleden. K.C.J. Duffhauss, vertrouwensarts en hoofd van het bureau, verbaast zich nog steeds over wat opvoeders hun kinderen zoal aandoen. “Onvoorstelbaar”, zegt hij. Duffhauss heeft in de loop der jaren wel begrip gekregen voor de oorzaken van kindermishandeling. De vrouw die haar dochter regelmatig urenlang alleen bij de vijver liet spelen in de veronderstelling dat buurvrouwen er wel op zouden passen, bleek in grote financiële, relationele en psychische problemen te verkeren, de verwaarlozing kon haar niet ten volle worden aangerekend. “En als je relatie spaak loopt, je baas zet je op straat en je hebt ook nog eens vrienden die aan de drank zijn, hoe groot is dan de kans dat je dronken thuis komt en je kind misschien gaat slaan?” Maar dat kan nooit reden zijn om de mishandeling te laten voortbestaan, zegt Duffhaus. “Slaan mag niet. Misschien hooguit die ene keer als een kind vier keer achter elkaar heeft geprobeerd met zijn vingers bij het brandende fornuis te komen en een corrigerende tik nodig heeft.”

De Bureaus Vertrouwensarts en de drie nieuwe 'advies en meldpunten' onderscheiden verschillende soorten kindermishandeling. Ten eerste de lichamelijke mishandeling, het slaan met ernstige of zelfs fatale gevolgen. De Bureaus Vertrouwensarts kennen jaarlijks veertien gevallen met dodelijke afloop, hoogleraar J. Hermanns schat het werkelijke aantal op vijftig tot honderd. Ten tweede verwaarlozing, zoals het zonder voldoende kleding en voeding naar school sturen van kinderen. Ten derde emotionele verwaarlozing, “zoals de moeder die te lui is om Pietje naar school te brengen, of het eigenlijk wel gemakkelijk vindt dat Marietje thuis blijft om klusjes op te knappen”, zegt Duffhauss. Ten vierde de emotionele mishandeling, zoals het systematisch kleineren van kinderen die in de ogen van hun ouders nooit iets goed kunnen doen en door een vernederende bejegening een 'Assepoester-complex' ontwikkelen. En ten vijfde het seksueel misbruik.

Om van kindermishandeling te kunnen spreken, zo vinden deskundigen, moet het kind regelmatige of chronische schade worden toegebracht. Prof. dr. H. Baartman, bijzonder hoogleraar op het gebied van de kindermishandeling aan de Vrije Universiteit in Amsterdam: “Het is de vraag of je van kindermishandeling moet spreken als een kind één keer een pak slaag kijgt en daarbij een tand door de lip schiet. Het moet structureel verkeerd zitten.”

Na een melding van kindermishandeling proberen de Bureaus Vertrouwensarts de vrijwillige hulpverlening voor het gezin op gang te brengen. Dat is nooit gemakkelijk, zegt de Haagse vertrouwensarts Duffhauss, want veel ouders zijn al geïrriteerd als ze een gesprek - thuis of op het bureau - met de vertrouwensarts en een maatschappelijk werker moeten voeren. Zeker bij lichtere vormen van kindermishandeling zijn ze allerminst overtuigd van de noodzaak van hulpverlening. Maar het moeilijkst zijn de gevallen van seksueel misbruik, waarbij harde bewijzen vaak ontbreken of ouders niet aangesproken wensen te worden op zichtbare striemen op de rug of de handafdruk op het gezicht van het kind. Bovendien bestaat daarbij vaak het gevaar dat het kind thuis nog verder onder druk komt te staan of mishandeld wordt. Ook bij psychiatrisch gestoorde mensen, wie de mishandeling moeilijk aangerekend kan worden, verloopt hulpverlening moeizaam. En in de gevallen dat het kind zelf liever geen hulp wil, bijvoorbeeld omdat het weliswaar eens per week als vader dronken is wordt geslagen, maar toch ook veel liefde krijgt als ze samen gaan vissen. Er zijn kinderen die zeggen “laat mij maar geslagen worden”, uit vrees dat bij een uithuisplaatsing andere broers en zussen het slachtoffer worden. Of kinderen die het na een scheiding opnemen voor hun vader of moeder, ook al ligt moeder de hele dag op de bank en heeft zij de zorg en de verantwoordelijkheid voor haar kind van twee volledig toevertrouwd aan haar kind van negen.

Openheid

In Leeuwarden werkt het Bureau Vertrouwensarts sinds enkele maanden mee aan het modelproject van de Werkgroep meldpunt kindermishandeling. Medewerkers noemen de nieuwe werkwijze “rechtstreeks en oplossingsgericht”. H. Kassenberg, maatschappelijk werker en hoofd van het bureau: “Vroeger gingen we eerst voorzichtig het netwerk rondom het gemelde gezin langs, en probeerden we na te gaan of er iets over de mishandeling bekend was en of de andere mensen iets konden doen. Nu stappen we rechtstreeks op de mensen af. Een verslaafde moeder verwijzen we al of niet onder druk meteen naar het bureau verslavingszorg, mensen met relatieproblemen meteen naar het Riagg of het algemeen maatschappelijk werk. Dat werkt. De mishandeling stopt. Want als je de ouders hebt geholpen, heb je ook de kinderen geholpen.”

Iedere donderdag vergaderen de hulpverleners in Leeuwarden met de zedenpolitie en met de Raad voor de Kinderbescherming over de meldingen die zijn binnengekomen. Net als vroeger kunnen familie, buren, kennissen, onderwijzers, crècheleidsters of huisartsen desgewenst anoniem blijven voor het gezin in kwestie. Maar als het even kan, wordt de melder nu bij de hulpverlening betrokken. Kassenberg: “Het aardige van deze nieuwe werkwijze is dat we verplicht zijn met de melder te gaan praten over diens mogelijkheden. Daar zitten soms ongekende krachten bij.”

Er wordt nu ook meer openheid jegens het gezin nagestreefd. Gezinnen mogen, als ze willen, hun dossier inzien (in Leeuwarden is zo'n verzoek nog nooit binnengekomen), en het maandenlang verifiëren van vermoedens buiten hun medeweten is verleden tijd - dat is tegen de Wet op de Persoonsregistratie. Nu moeten de ouders binnen twee weken na de melding op de hoogte worden gebracht, tenzij door die informatie het kind wordt bedreigd. Dan mag er maximaal nog een maand overheen gaan. Maatschappelijk werkster P. Sol-Bosgra: “Het is nu allemaal veel eerlijker. Door de ouders meteen al in te lichten, ontketen je een crisis, een keerpunt dat positief kan werken. Mensen zijn in eerste instantie vaak ontredderd en boos dat er een melding is gedaan. Dat reageren ze op ons af. Maar later krijgen ze toch meer begrip. Ik zeg altijd dat ik niet als rechter of rechercheur kom, maar uit zorg om hun kind. De ouders mogen hun verhaal doen.”

Volgens voorzitter Hermanns van de Werkgroep meldpunt Kindermishandeling weten veel mensen nog niet goed genoeg waar ze met hun meldingen terecht kunnen. Bovendien hebben andere instanties, zoals de politie of de Raad voor de Kinderbescherming, niet altijd dezelfde voorkeuren voor een bepaalde strategie. Waar bij het ene gezin eerst nog een maatschappelijk werker thuis komt, kunnen bij het andere meteen strengere maatregelen volgen, zoals tijdelijke uithuisplaatsing van het kind. In het ideaal van Hermanns moeten de nieuwe advies- en meldpunten kindermishandeling deze onduidelijkheid wegnemen en 'snel en adequaat' een geschikte maatregel - hulpverlening of justitiële kinderbescherming - nemen. Daarbij staat het belang van het kind uitdrukkelijk voorop. Hermanns: “Als drie kinderen door hun vader met een bijl zijn bedreigd, ga je geen hulpverlening organiseren. Dan haal je ze zo snel mogelijk weg om ze tegen het gedrag van hun ouders te beschermen.” De aanpak van kindermishandeling moet minder bureaucratisch verlopen, stelt hij, het verifiëren van vermoedens hoeft geen maanden te duren en ook leerkrachten op scholen kunnen veel doen. “Als een kind de school komt binnenrennen met een dichtgeslagen oog en zegt dat zijn moeder dat heeft gedaan, dan ga je dat niet eerst natrekken. Dan ga je naar zijn huis. Je grijpt in, je stapt er op af. Of je vraagt als kleuterleidster hoe het thuis met het kind gaat. Je hoeft dan niet eens over blauwe plekken te beginnen. Je vertelt gewoon dat je het kind zelf ook wel eens moeilijk vindt. Hulpverleners in Nederland zijn te veel gericht op het geven van therapieën, op behandelen. Men wacht tot de problemen op hen afkomen in plaats van ze te voorkomen. Men wacht tot de problemen zó erg zijn dat er intensieve begeleiding nodig is, liever dan in een peuterspeelzaaltje de ouders even apart te nemen.”

Nieuwe kans

Kinderen, zo luidt de klacht onder hulpverleners, zijn rechteloos. Kinderen kunnen het hun ouders dan wel erg lastig maken, maar ze kunnen zich niet verdedigen. De Verenigde Naties sloten op 20 november 1989 het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waaronder ongeveer 170 landen hun handtekening hebben gezet. Voor Nederland trad het verdrag vorig jaar in werking. Kinderrechtswinkels geven voorlichting over het verdrag op scholen. Er worden lesprogramma's gemaakt. En het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geeft brochures uit. Maar kinderen kunnen daaraan geen wettelijke rechten ontlenen. Als de professionele hulpverleners niet voor kinderen opkomen, wie dan wel? Hermanns wijst er dan ook op dat kinderen niet ten koste van alles bij hun natuurlijke ouders hoeven te blijven. Hermanns: “Pogingen om het kind steeds maar terug te krijgen in het gezin kunnen voor het kind veel bedreigender zijn dan weghalen. Het kan voor een kind een grote opluchting betekenen dat wij ingrijpen en het in een pleeggezin zetten. Een kind hoeft niet alle consequenties te dragen van het leven van zijn ouders. Een pleeggezin betekent een nieuwe kans voor het kind. Ik ken schrijnende gevallen van moeders die na jaren in een pleeggezin weer opduiken en hun kind terugeisen. Dat is ook een vorm van kindermishandeling.”

Botte onmacht is volgens hulpverleners en opvoedkundigen de oorzaak van kindermishandeling. Door armoede, werkloosheid en vooral het daaruit voortvloeiende isolement: geen andere mogelijkheid om de vrije tijd te besteden dan televisie te kijken, kinderen die op school worden gepest omdat vader werkloos is. Maar ook het overspannen najagen van succes is een risicofactor: meer werken om de auto en de huishoudelijke hulp te kunnen betalen en lid van drie sportverenigingen te kunnen blijven. Maatschappelijk werker Sol-Bosgra uit Leeuwarden: “Ik hoorde laatst weer het verhaal van een vader die zijn kind naar school brengt met de mobiele telefoon in zijn hand en bij het weggaan nog op de speelplaats zijn eerste afspraken maakt.” Vaak zijn ouders die hun kinderen mishandelen, in hun jeugd zelf mishandeld. Slaan is een gewoonte geworden. “Sommige ouders hebben kinderen nodig om hun eigen onvoldane jeugd te boven te komen”, zegt hoogleraar kindermishandeling Baartman.

Tegenwoordig is er minder sociale controle dan vroeger, en het zogenoemde 'bevelshuishouden' is veranderd in een 'onderhandelingshuishouden'. Door dat laatste vergen kinderen meer tijd en aandacht dan ouders soms kunnen geven. Ook dat is een risicofactor. Net als een moeilijk opvoedbaar kind of een kind met een chronische ziekte. H. Kassenberg, hoofd van het meldpunt in Leeuwarden: “Je moet heel sterk in je schoenen staan om het met een huilbaby uit te houden.” Vooral de opeenstapeling van risicofactoren leidt tot kindermishandeling. Hermanns: “Mensen zijn geconditioneerd om goed op te voeden. Dus als je in armoede leeft, er alleen voor staat en je hebt ook nog een kind dat wat lastiger is dan andere, dan heb je een pittige opdracht. Dat kan tot ontsporingen leiden.”

Volgens de Bureaus Vertrouwensartsen zijn meer preventieve maatregelen bij de bestrijding van kindermishandeling het allerbelangrijkst. Ouders moeten al in een vroeg stadium ergens terecht kunnen met vragen over hun baby of peuter, om te voorkomen dat in de eerste levensjaren de kiem wordt gelegd voor onoverkomelijke opvoedingsmoeilijkheden later. Het is daarbij zaak om ouders niet te bestormen met hulpverleningsstrategieën, maar ze te steunen op plaatsen waar ze toch al komen; op de consultatiebureaus, bij huisartsen of gewoon thuis. Baartman: “Zonder mensen te willen betuttelen, is het de moeite waard om vooral jonge ouders op gang te helpen. We hebben in Nederland een uitstekend systeem van prenatale zorg als het gaat om de medische aspecten, maar de sociale aspecten krijgen nog weinig aandacht. Zoals aanstaande moeders met een hoge bloeddruk een indicatie voor ziekenhuisopname krijgen, zo zou ouders met deplorabele persoonlijke omstandigheden standaard stevige begeleiding moeten worden aangeboden.” De Haagse vertrouwensarts Duffhauss: “In Nederland mag je op je achttiende zonder rijbewijs nog niet op een bromfiets rijden, maar met toestemmming van je ouders mag je wel trouwen en een kindje maken.”

Intussen schieten de opvoedingssteunpunten in heel Nederland als paddestoelen uit de grond. De belangstelling is groot, zegt Hermanns, die in Maastricht een van de eerste opvoedingssteunpunten opzette. De meeste vragen betreffen peuters die niet slapen, druk zijn, niet willen luisteren of willen eten. Sommige ouders verwijten hun kind van vijf jaar dat hij nog in bed plast, andere verzuchten: 'Ik heb eigenlijk altijd ruzie met mijn kind'. Het belangrijkste is dat deze ouders een luisterend oor vinden en dat ze zich begrepen voelen. Hermanns verwacht dat de kindermishandeling met minimaal tien procent kan worden gereduceerd door opvoedingsondersteuning aan ouders van jonge kinderen: “Jarenlang hebben we opvoeding in Nederland beschouwd als een privé-aangelegenheid van ouders. Nu dringt het besef door dat de samenleving medeverantwoordelijk is.”