Bouwen met basterd schelpkalk; Cementmortel heeft zo zijn nadelen

Schelpen zijn schalen van schelpdieren die tijdens hun leven kalk hebben gebonden uit zeewater. Ze dienen als basis voor schelpkalk dat zijn rentree in de bouwwereld lijkt te maken.

OOIT WAS DE Nederlandse schelpkalkindustrie een trotse en belangrijke bedrijfstak. Verspreid over heel Nederland stonden meer dan 130 branderijen, waar men schelpen brandde ten behoeve van metselmortels (een mortel is een mengsel van water, zand en bindmiddel), bouwkalk en pleisterwerk. Nu staat er nog één operationele schelpkalkbranderij, in Harlingen. Door de snellere verharding en de lage prijzen van cement is de schelpkalk in de jaren zestig sterk teruggedrongen. Nu de nadelen van cementmortels steeds duidelijker naar voren komen, begint een nog klein maar groeiend deel van de bouwwereld schelpkalkmetselmortel toe te passen.

De belangrijkste technische nadelen van cementmortels zijn de korte levensduur van de voegen, die soms al tien jaar na nieuwbouw moeten worden vervangen en de hardheid van cement, waardoor bij ongelijke zetting eerder breuk in de gevel optreedt. Een groot esthetisch (en uiteindelijk ook technisch) nadeel van de cementmortel is de uitbloei van zouten op de gevel. Iedereen is het waarschijnlijk wel eens opgevallen dat een zojuist opgeleverd nieuwbouwproject een vreemde witte uitslag op de muur vertoont.

VLIEGAS

Toepassing van cementmortels heeft ook nadelen voor het milieu. Voor cement is mergel nodig, een grondstof die voorkomt in vaak zeer aantrekkelijke landschappen, die door de winning worden aangetast. De cementindustrie is één van de meest energie-intensieve en daarmee ook milieubelastende industrieën. In geval van het vaak toegepaste hoogovencement wordt vliegas toegevoegd, waardoor weliswaar de energiebehoefte daalt, maar de radio-activiteit en het gehalte zware metalen sterk toeneemt. Toepassing van dergelijke metselmortels in huizen en kantoren is daarom uit milieu-oogpunt af te raden. Nadat met cementmortels is gemetseld, worden de voegen tot twee centimeter diep uitgekrabd, waarna men een aparte voegmortel aanbrengt. Dit heeft een kortere levensduur van de voegmortel tot gevolg, maar is ook nog eens een grote verspilling van mortel: maar liefst 20 procent van de aanvankelijk aangebrachte mortel komt in de puinbak terecht. Cementmortels zijn zo hard dat bij de uiteindelijke sloop van het gebouw de steen meestal breekt, waardoor hergebruik van de baksteen niet meer mogelijk is en de baksteen slechts als puingranulaat kan worden gerecycled. Duurzaam bouwen in baksteen betekent alleen daarom al dat men met schelpkalkmortels zou moeten voegen.

De oudst bekende toepassing van schelpkalk in Nederland is de schelpkalkmortel in de fundamenten van de abdij in Egmond, die is gebouwd in 910. Het metselen met schelpkalkmortels is sindsdien nooit verdwenen. Maar sinds de jaren zestig werd schelpkalk nog slechts gebruikt in restauratiewerk. Dit gebeurde niet alleen om esthetische redenen, maar ook doordat de soepele schelpkalkmortel zetting kan opvangen; de rigide cementmortel doet dat niet, waardoor scheuren in de gevel ontstaan.

Schelpen zijn de schalen van schelpdieren die tijdens hun leven kalk hebben gebonden uit zeewater. Ze zijn afkomstig uit soms wel veertig meter lange schelpenbanken. De hoeveelheid schelpen die jaarlijks uit zee wordt opgevist, blijft ruim onder de jaarlijkse aanwas van de schelpenvoorraad. Uit onderzoek is gebleken dat het schelpenzuigen nauwelijks ecologisch nadelige gevolgen heeft. In de toekomst wil Schelpkalk Harlingen ook de kokkels die als afval uit de voedingsmiddelenindustrie en restaurants komen, gaan verwerken, waarmee een afvalstof grondstof wordt. Er kan zelfs een milieuprobleem mee worden opgelost: de stank van mosselschelpen uit de conservenindustrie in het Zeeuwse Yerseke geeft al jaren overlast voor omwonenden.

ANTRACIET

Het productieproces van schelpkalk is eenvoudig. De schelpen, voornamelijk bestaand uit calciumcarbonaat, worden gemengd met 10 procent antraciet en gebrand bij een temperatuur van ongeveer 900 graden celsius, waardoor koolzuurgas zich afsplitst onder vorming van calciumoxide. Dit wordt vervolgens met water geblust. Hierna wordt de kalk uitgezeefd. De fijne verontreinigingen die nog resten, zoals as-, klei- of zanddeeltjes, zijn juist gewenst, zij geven de schelpkalkmortel een goede hydraulische werking. Bij het verwerken op de bouwplaats verhardt de specie door opname van koolzuurgas uit de lucht weer tot calciumcarbonaat.

Het bedrijf EBC in Apeldoorn levert door heel Nederland sinds eind vorig jaar kant-en-klare, KOMO-gekeurde schelpkalkmortelproducten in silo's met een kleine hoeveelheid portlandcement. Aan de schelpkalkmortel wordt enig cement toegevoegd om de aanvangsdrukvastheid te verhogen. De basterd schelpkalkmortel is een fractie duurder dan de (hoogoven)cementmortel, het gaat om ongeveer honderd gulden per woning. Als 'vol en zat' wordt gemetseld, een traditionele techniek waarbij men de voeg direct afwerkt, is het zelfs goedkoper, omdat het apart voegen achterwege kan blijven. Er treedt dan geen verlies op van materiaal, sterkte en hechting; bovendien wordt tijd gewonnen. Sinds oktober vorig jaar zijn al bijna tweehonderd woningen en een tiental utiliteitsgebouwen met schelpkalkbasterdmortels gemetseld. Door te metselen met schelpkalk draagt de bouw letterlijk een steentje bij aan een duurzamer samenleving. Een steentje dat te zijner tijd opnieuw kan worden gebruikt.