'Biljarten is een gevecht op leven en dood'

Voor Torbjörn Blomdahl (33) is biljarten geen gezellig tijdverdrijf. Driebanden is streven naar perfectie. Hij vertrouwt op zijn gevoel. “Als je de regels volgt raak je alle ballen bijna perfect. Dat is niet goed genoeg.”

OOSTERHOUT, 5 OKT. Cultureel centrum De Bussel in Oosterhout ademt de biljartsfeer van weleer, met een volle toog en een rokerige speelzaal. Torbjörn Blomdahl loopt in galop door de kantine. De Brabantse gezelligheid is niet aan hem besteed. “Biljarten is voor mij een gevecht op leven en dood. Vergelijk het met een schaakpartij. Dat heeft niks met gezellig te maken. Biljarten is oorlog.”

In Zweden hebben snooker en poolbiljart de klassieke spelsoort naar de achtergrond verdrongen. Blomdahl wordt alleen in zijn geboorteplaats Helsingborg op straat herkend. “Ik speelde vaak voor de televisie, in de pauze van voetbalwedstrijden. Ik maakte een keer een voorbander over zeven banden. Die was eigenlijk niet te missen, als je de speelbal tenminste goed neerlegt. Toch belden er duizenden mensen naar de studio. Zij dachten dat het om een trucfilm ging. Kun je nagaan hoe weinig driebanden voorstelt in Zweden.”

Torbjörn leerde de beginselen van zijn vader, ooit Europees kampioen kegelbiljarten. De 57-jarige Lennart behoort nog altijd tot de betere driebanders in Europa. Hij is beheerder van een biljartcentrum in Helsingborg en organiseerde in het verleden regelmatig wedstrijden met Nederlandse en Belgische topspelers. Als klein jongetje zag junior hoe senior werd afgedroogd door Raymond Ceulemans. Torbjörn begreep dat een zege op zijn vader niet voldoende was om de wereldtop te bereiken.

“Als klein jongetje droomde ik dat Ceulemans tegen mij moest spelen en met 60 tegen 1 verloor. Een verschrikkelijke droom. Zo'n groot verschil was belachelijk. Ik was 21 toen ik hem in werkelijkheid versloeg. Een heel bijzonder moment. Tegen Ceulemans spelen geeft mij altijd een apart gevoel. De spanning tussen ons kan ik niet goed omschrijven. Respect en vijandschap, zoiets.”

Ceulemans is een vaderfiguur voor Blomdahl. Hij is zijn grote voorbeeld, maar zeker niet zijn evenknie. De Belgische maestro streelt de keu, hij slentert om de tafel, hij wikt en weegt voordat hij de speelbal beroert. Blomdahl daarentegen heeft een felle afstoot, die hij zo snel mogelijk uitvoert. Tijdens hun onderlinge partijen komt het beste in beide biljarters bovendrijven. Ceulemans wenst zich niet zonder slag of stoot neer te leggen bij de suprematie van Blomdahl.

De Zweed woont tegenwoordig in het Duitse Backnang en speelt de laatste jaren competitie bij BC Hengelo. Hij spreekt bijna vloeiend Nederlands. Blomdahl was de eerste speler die zich full-time met biljarten ging bezighouden. Hij traint gemiddeld vier uur per dag en sleutelt dagelijks aan zijn spel. Hij is blij met de toegenomen concurrentie, hoewel zijn moyenne in het gedrang komt. “Ik moet steeds verdedigender gaan spelen, tegen mijn gewoonte in. Sommige partijen heb ik meer angst om te verliezen dan zin om te biljarten.”

Tijdens het vraaggesprek wisselt hij voortdurend van gedachte met zijn collega's. De onderlinge verhoudingen in het profcircuit zijn zeer vriendschappelijk. Bijna alle wereldtoppers spelen in de Nederlandse competitie. Ze trainen samen en stimuleren elkaar. Blomdahl vertelt over de avond toen ze met z'n allen rond de tafel stonden en urenlang één stootbeeld hebben geoefend. Ze kwamen tot 25 verschillende oplossingen.

“Door kennis te delen wordt driebanden steeds interessanter. Vergelijk het met de Duitse en Zweedse hoogspringers een paar jaar geleden. Die corrigeerden elkaar na een foute sprong. Ze waren coaches voor elkaar. Trainen is geven en nemen. Maar ik begrijp best dat sommige spelers mij niet willen helpen. Ik ben de beste en de beste ga je niet nog beter maken.”

In de speelzaal oogt Blomdahl bijna ongeïnteresseerd wanneer de tegenstander aan stoot is. Meestal kijkt hij de andere kant uit, zoals een schaker gaat wandelen als de opponent aan zet is. “Ik weet op elke andere tafel hoe de stand is. Ik heb gewoon geen geduld om iemand te zien treuzelen. Ik kijk liever naar een mooie oplossing op een andere tafel dan naar een tegenstander die een minuut lang bezig is met het krijten van zijn keu.”

Blomdahl staat bekend om zijn snelle spel. Het liefst loopt hij van zijn stoel naar de tafel om in één vloeiende beweging een carambole te maken. Hij wil het publiek niet in slaap sussen. Toch heeft hij zijn tempo de laatste jaren aangepast. “Ik krijg steeds meer kennis, die moet ik toch ook gebruiken. Je kunt nu eenmaal niet altijd op gevoel spelen. Je kunt niet altijd blijven lopen en schieten rond de tafel.”

Met een gemiddelde van bijna twee punten per speelbeurt heeft hij het driebanden een nieuwe dimensie gegeven. Hij noemt het een voordeel dat hij nooit libre heeft gespeeld, zoals de Nederlandse en Belgische spelers hun carrière zijn begonnen. “Dat waren verloren jaren geweest. Libre en driebanden hebben niets met elkaar te maken. Vergelijk het met handbal en voetbal: twee verschillende sporten. Je speelt met een andere keu. Je staat anders achter de tafel. Je houdt de keu anders vast. Met libre speel je heel voorzichtig en zacht. Met driebanden moet je de bal juist heel vol raken.”

Blomdahl onderscheidt zich van zijn tegenstanders door de bal extra veel effect te geven. Hij komt met de meest originele stootbeelden. Maar hij heeft ook tekortkomingen. “Ik kan een bal niet goed raken van een grote afstand. Ik probeer dat al twintig jaar te verbeteren maar dat lukt niet. Toen ik begon was ik klein en kon ik niet goed bij de tafel. Daarom kan ik de keu niet horizontaal houden. Soms stoot ik zo snel dat ik mijn arm niet meer kan controleren. Dan heb ik geen idee waar de bal naar toe gaat. Ik weet nu min of meer hoe groot de afwijking is. Dus raak ik de bal altijd net iets te veel naar rechts, dan komt hij meestal in het midden terecht.”

Hij maakt zo min mogelijk gebruik van de theoretische kennis die onder anderen Ceulemans heeft verspreid. “Negentig procent is balgevoel en talent. De andere tien procent is mentaliteit en berekeningen. De theorieboeken zijn alleen een hulpmiddel. Als je de regels volgt, raak je alle ballen bijna perfect. Dat is dus niet goed genoeg. Op je gevoel spelen leidt tot meer precisie. Bovendien houden de boeken geen rekening met de verschillende wedstrijdtafels. Zet vier tafels van dezelfde fabriek naast elkaar en ze reageren allemaal verschillend.”

De wereldbeker-cyclus vertoont na elf jaar nog steeds kinderziektes. Deze winter staan slechts vier officiële BWA-toernooien op het programma. Grote sponsors lopen blijkbaar nog steeds niet warm voor de biljartsport. De meeste profs verdienen hun geld met invitatietoernooien. In tegenstelling tot Ceulemans voelt Blomdahl zich niet geroepen geldschieters te zoeken. “Ik heb geen idee hoe je iets populair maakt. Ik kan dingen niet mooier maken dan ze zijn. Driebanden en een paar vreemde talen, verder heb ik niks geleerd. Daarom ga ik nog een hele tijd door met biljarten. Ik heb geen keus.”