Beste strafpleiter of een advocaat van gore zaken?

De Haagse advocaat G. Spong is onlangs door vakbroeders uitgeroepen tot beste strafpleiter van Nederland. Tegelijkertijd rekende J.A.A. van Doorn hem in een column in HP/De Tijd tot de categorie van advocaten van gore zaken. Hiermee geconfronteerd reageerde Spong in NRC Handelsblad van 23 augustus laconiek met de denigrerende opmerking dat die seniele oude man niet begrijpt dat iedere burger, ongeacht wat-ie gedaan heeft, recht heeft op een adequate verdediging.

Afgezien van de leeftijdsdiscriminatie waarvan Spong zich bedient om de kritiek van Van Doorn te ridiculiseren, is hier heel wat anders aan de hand dan het recht op adequate verdediging. Van Doorn stelt een bepaald type strafpleiter ter discussie. Als raadsman van verdachte, zo is zijn opvatting, dient de advocaat erop toe te zien dat diens rechten in het strafproces geëerbiedigd worden en dat het strafproces een correct verloop krijgt, met inachtneming dus van die rechten. Wat Van Doorn hekelt is het type advocaat, dat zich eenzijdig en volledig in dienst stelt van de verdachte en letterlijk alles doet en bedenkt om deze vrij te pleiten en zodoende als advocaat zoveel mogelijk te scoren. Dit type advocaat heeft er uiteraard geen enkele moeite mee van vorm- en opsporingsfouten dankbaar gebruik te maken, ook als zware misdadigers daardoor hun gerechte straf ontlopen. Tot deze categorie advocaten rekent Van Doorn Spong en andere bekende strafpleiters als Moszkowicz, Hiddema, J. Duynstee en anderen. Hij spreekt in dit verband zelfs van een nieuwe 'school' in de Nederlandse strafrechtpraktijk.

Nu gaat het hier ongetwijfeld om juristen en strafpleiters die technisch-juridisch gezien heel knap zijn. De vraag is alleen of het bij de rechtsbeoefening louter om het hanteren van juridisch-technische kennis en kunde gaat. Het zogenoemde rechtspositivisme in de rechtswetenschap gaat daar inderdaad vanuit. Deze technocratische rechtsopvatting heeft grote opgang gemaakt en een sterk stempel gedrukt op het juridisch onderwijs. Dit beperkt zich in deze opvatting tot het overdragen van positief-rechtelijke kennis en kunde als voorbereiding op een technisch-juridisch verantwoorde hantering van het positieve recht in de beroepsoefening. Het resultaat daarvan is de ontwikkeling van een technocratisch en opportunistisch juristentype dat zijn technisch-juridische kennis probleemloos ter beschikking stelt van alle grote heren en kleine bazen die zijn diensten nodig hebben en er voor betalen willen. Het was dit type jurist dat in Duitsland, maar ook in ons land probleemloos zijn medewerking verleend heeft aan het Hitler-regime. Na de oorlog werkte het ook probleemloos aan de legitimatie van autoritaire regimes in Latijns-Amerika en het apartheidsbewind in Zuid-Afrika. Na hun medewerking met dit soort regimes zetten deze technocratische juristen hun juridische activiteiten zonder veel moeite voort in het kader van een democratische rechtsorde. Zij waaien met alle winden mee en ontmoeten daarbij veelal weinig problemen.

Na de oorlog is er in de rechtswetenschap niettemin een forse reactie geweest tegen dit type rechtsbeoefening, vooral in Duitsland, waar men ter bestrijding hiervan weer teruggreep op het natuurrecht en een materiële opvatting van recht en rechtsstaat introduceerde waarin gerechtigheid in materiële zin de beslissende maatstaf is. Die omslag komt ook tot uiting in de grondwet van de Bondsrepubliek. De constitutionele rechtsorde wordt daarin namelijk gebaseerd op een liberaal-democratische basisorde als onaantastbare kern.

Waar Van Doorn zich mijns inziens tegen keert, is het technocratische en opportunistische juristentype waarvan de door hem bedoelde strafpleiters typische voorbeelden zijn. Die zien de rechtsorde dus niet als juridische expressie van normen en waarden, waarover in het beschavingsproces van eeuwen overeenstemming is bereikt als morele grondslag van de samenleving, zoals de beginselen van vrijheid en rechtsgelijkheid, redelijkheid en billijkheid, zorgvuldigheid en evenredigheid, machtsspreiding en solidariteit, persoonlijke aansprakelijkheid en verantwoording van machtsuitoefening, enzovoorts.

Als men er van uit gaat dat de rechtenstudie een technisch vak is kunnen de meest vreselijke dingen gebeuren. Als juristen geen moreel gehalte meer hebben, zijn ze tot alles in staat, aldus de jurist professor H. Honnée. De juriste Dorien Pessers heeft vorig jaar ook al stelling genomen tegen de technocratische tendens, die de jurist maakt tot dienstknecht van diegenen die het te zeggen hebben en die in de jaren negentig weer de wind mee lijken te hebben. In een tijd waarin de publieke moraal opnieuw volop in discussie is, lijkt het me zinvol daarbij ook de aard en praktijk van de rechtsbeoefening te betrekken.