Zeep in close-up; Gesprek met kunstenaar Lon Robbé

Een sinaasappelpers, een pinguïn, een fototoestel: kunstenares Lon Robbé, stopt ze in een bad van zwarte was en stelt ze vervolgens in groepjes tentoon. Zo wil ze de verrassende verhouding tonen die voorwerpen onderling kunnen aangaan. “Alle dingen leiden een kameleontisch bestaan. Pas als ze worden losgemaakt van hun functie, komen ze ècht te voorschijn.”

Diepenheim viert zijn jaarlijkse schuttersfeest. Jonge meisjes hebben zich lelijk gemaakt met roet op hun gezicht. Hun jongere zusjes maken de danspasjes die bij een majorette-corps horen, en de rest van het dorp flaneert met zoveel gemak als schutter, hellebaardier of jonkvrouw dat elke Diepenheimer dagelijks in die uitdossing achter het aanrecht of de toonbank lijkt te staan.

Terwijl de fanfare in de richting van de kermis oprukt, hult de galerie van de kunstvereniging Diepenheim zich in rust en duisternis. Hier valt niets te vieren. Op een grote, rubberen vloer liggen tientallen voorwerpen in groepjes bijeen. Een vaas, een sinaasappelpers, een pinguïn, een pet, een fototoestel; spullen die uitblinken in alledaagsheid en overbodigheid. Aan de achterwand stort zich nog een metershoge fotografische waterval naar een afgrond en op de achttien zwarte, lege stoelen, met hun rug naar de 'natuurwand' geplaatst, hoort blijkbaar het publiek te zitten dat nu in de schiettent driftig in de weer is om een vaas, een pinguïn of een pet te scoren.

Deze installatie is gemaakt door de Amsterdamse kunstenaar Lon Robbé (1946). Geen enkel voorwerp is nog wat het oorspronkelijk was. Elk stuk kreeg een bad van zwarte was en daarom denkt de toeschouwer even getuige te zijn van een lokale opgraving, waarvan de oogst de modderige en natte gedaante van een gefragmenteerd veenlijk heeft aangenomen. Maar niet alles lijkt nat en dood. Dankzij het strijklicht dat vanuit twee kierende deuren naar binnen schrijdt, vangen sommige objecten een glimp van paarlemoer. In dezelfde ruimte zoemt ook nog de opname van het hooggestemde geroezemoes dat mussen voortbrengen.

Dit moet een aanklacht zijn tegen de eigentijdse consumeerdrift, denkt de toeschouwer. Het mateloos vergaren van Blokker-prullaria beneemt het uitzicht op wat de natuur aan ruige schoonheid gratis te bieden heeft. En die stoelen zullen ongetwijfeld mensen symboliseren die zich van polders, bergen en watervallen hebben afgekeerd. Ze rennen van de ene kick naar de volgende aankoop, ze staan niet meer stil bij de tonen van bruisend water of bij de mist die aan de oevers van een waterval het groen in kruipt.

Iets dergelijks overpeinst men in Diepenheim. En intussen glijdt de blik verder van een zwart-paarlemoeren dennenappel naar een net zo zwart-paarlemoeren herderskop, een afgietsel waar je thuis voor geen goud tegenaan zou willen kijken.

Kinderkamer

Lon Robbé luistert aandachtig naar deze nogal voor de hand liggende interpretatie, dit vermoede pleidooi voor inkeer en bezinning. “Het ene verhaal is net zo goed als het andere”, zegt ze. En daar moeten we het mee doen, aan een eigen toelichting maakt ze geen woorden vuil. Het gaat haar om de verbeelding van de dingen, vertelt ze, om de verrassende verhouding die de voorwerpen onderling kunnen aangaan, om de associaties die ze in grote verscheidenheid bij zoveel verschillende mensen kunnen aanwakkeren. Het is verder aan de toeschouwer: alles is mogelijk op die rubberen vloer.

“Je leert als kind dat een stoel een stoel is. Het ding is zo benoemd en de gewoonheid daarvan is door anderen bepaald. Maar vroeger liet ik een stoel een eigen leven leiden, zoals de dingen ook 's nachts in een kinderkamer met gemak een andere gedaante aannemen. Door het ding zo strikt de betekenis van stoel te geven en in te delen volgens de gemeenschappelijk afgesproken werkelijkheid, is de weg naar de verbeelding, naar het heldere zien, geblokkeerd. Vergelijk het met een oordeel dat tegenwoordig zo snel wordt uitgesproken. Iets is meteen 'heel goed' of 'heel slecht'. Maar wat is er eigenlijk beklijfd, wat vertelt zo'n mening over het aandachtig beleven, het zintuiglijk ondergaan van die gebeurtenis? Helemaal niets.”

We praten in haar atelier in Amsterdam. Het is er licht, ruim en ordelijk. Op planken figureren een struisvogelei, kartonnen bladen met knoopjes, poppenhuisstoeltjes, kunstgebitten. Omdat ze elk de ruimte hebben gekregen, onttrekken de spullen zich aan het rommelmarkt-imago.

Onverwachts legt Robbé een gedicht op tafel van de Braziliaan Carlos Drummond de Andrade, haar aangedragen door de graficus Pieter Holstein:

Midden op de weg lag een steen

lag een steen midden op de weg

lag een steen

midden op de weg lag een steen

Nooit zal ik die gebeurtenis vergeten

in het leven van mijn zo vermoeide netvliezen.

Nooit zal ik vergeten dat midden op de weg

lag een steen

lag een steen midden op de weg

midden op de weg lag een steen

Het gedicht doet denken aan een uitspraak van de Hongaarse schrijver György Konrád; 'Probeer steeds naar je straat, je gevel, je huis te kijken alsof het de eerste keer is.' Lon Robbé veert op: “Ja, dat bedoel ik. Alle dingen zijn ambigu. Ze leiden een kameleontisch bestaan. Pas als ze worden losgemaakt van hun functie, bevrijd van hun waarde, betekenis en hiërarchie, komen ze ècht te voorschijn. De dingen in Diepenheim zijn als vorm bekend, maar toch kunnen ze door de schemering en de gestolde zwarte was net zo goed iets anders betekenen. U ziet daar aan de wand misschien een olifantenslurfje hangen met twee neusgaten. Ik heb het gevoel dat mij twee ogen aankijken.”

Windrichtingen

Behalve de galerie van de Kunstvereniging Diepenheim, stelt ook het Kröller-Müller Museum in Otterlo vanaf morgen werk van Lon Robbé tentoon. Het staat volstrekt los van die kameleontische dingen: foto's op groot formaat, in kleur en zwart-wit, van landschappen die zich laten thuisbrengen in Ierland of in Zuid-Amerika. Ver weg in elk geval, want het uitzicht is onherbergzaam en uitgestrekt, men kan in alle windrichtingen verdwalen.

De neiging ligt snel op de loer het landschap in deze exacte weergave als herinnering te typeren, als plekken des onheils waarop zich, zoals bij Armando of Kiefer, een meer of minder uitgesproken geschiedenis laat projecteren. Men zou, zoals bij Hans Aarsman, in de weidsheid van een uitzicht op zoek kunnen gaan naar toevallige incidenten, zoals twee identieke kleurvlakken en een wazige verschijning achter een venster. Men zou ook stil kunnen blijven staan bij de vergankelijkheid van wat eens in al zijn levendigheid is vastgelegd.

“Nee, mijn foto's zijn geen herinnering, ze laten juist een verlangen zien. Wie op vakantie een foto van het landschap heeft genomen, ervaart thuis bijna niets meer van die ongekende ruimte, van dat gevoel van vrijheid dat die plek toen zo waardevol maakte. Door fototechnische ingrepen probeer ik die directe ervaring dichterbij te brengen, om zo dat altijd ergens nog aanwezige gevoel te verbeelden.

“Dit zijn trouwens geen opnamen van Ierland of Zuid-Amerika. Ik heb de duinen van Kennemerland en de bosranden van de Veluwe in dubbele opnamen gefotografeerd. Om dat universele verlangen naar de verte te ervaren moet men nu bijna fysiek zo'n foto weer instappen, desnoods per ongeluk de heide op de voorgrond plattrappen. Zo gezien, staan deze landschappen, inderdaad, behalve voor verlangen en verwachting, misschien ook wel voor de herinnering. Maar ik vraag de toeschouwer wèl actief te zijn, mee te lopen, anders kan ik net zo goed een romantisch schilderij van een heideveld ophangen.”

Ter illustratie van haar eigen verleden laat de kunsthistorica en de academie-docente die Robbé ook is, minder recente landschappen en foto's van stillevens zien. Een zeegezicht bijvoorbeeld, op tafel geënsceneerd, waarbij een kwetsbaar visserskottertje een schaduw werpt op de horizon. Jammer eigenlijk dat schepen weigeren dat in werkelijkheid te doen.

De stillevens zijn muisstil en neutraal, dat wil zeggen ontdaan van een verleidelijk clair-obscur of andere kunstjes. Naast een diepe fauteuil staat een net zo groot glas water. Onder een hoge witte vaas met groen blad, houdt een zomers zitstoeltje een melkkannetje gezelschap. Even dwaalt men door een boek van A. Alberts, waarin nooit iets teveel gezegd of beleefd wordt, waarin sfeer zich niet ontleent aan de franje, maar aan de kale aanwezigheid van mensen en dingen.

Aan het mooiste foto-stilleven moet menigeen in zijn leven onoplettend voorbij zijn gelopen: de close-up van een ouderwetse, craquelé wastafel met drie verdroogde stukjes zeep - een witte, een roze en een groene. “Ik paste op het huis van mijn ouders”, vertelt Lon Robbé, “zag dingen terug die niet meer in gebruik waren, die stiller waren geworden, meer van zichzelf. Ik had op dat moment de vrijheid om ze op afstand en zeer bewust te observeren en om ze anders neer te leggen. Vroeger niet, als jongste kind ontdekte ik dat alles al geordend was, alles behoorde al aan anderen toe. Ik mocht de dingen niet aanraken, ik kon ze me alleen maar toeëigenen door ernaar te kijken. Door te fotograferen kan ik ze me nu wèl toeëigenen, ik kan ze zelfs naar mijn hand zetten.”

Lon Robbé: Blak. In Kunstvereniging Diepenheim, Grotestraat 17, Diepenheim. T/m 5 nov. Ma t/m vr 10.30-16.30u, za 14-16.30u. Landfall: Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo. T/m 5 jan. 1997. Di t/m zo 10-17u. Publicatie: Landfall. Prijs ƒ 29,50.