Voorlezen

Grote mensen hebben de dure plicht, de kleine kinderen met verhaaltjes te bedienen. Het is geen straf, want dankbaarder publiek bestaat er niet. Het zal ook zijn nut hebben, want kinderen die van hun derde of vierde jaar al leren verhaaltjes te begrijpen maken meer kans, tot geletterde mensen op te groeien of misschien zelf schrijver te worden. Wie het beste voor heeft met de kinderen èn de literatuur begint dus liever vandaag dan morgen met de verhaaltjes. Daarbij is een aantal dingen van belang.

Vaders en moeders nemen de kinderen natuurlijk op de knie of op schoot. Mij dunkt dat iedere verhouding die niet de intimiteit van ouder tot kind heeft een grotere lichamelijke afstand noodzakelijk maakt. Iedere volwassene heeft een eigen geur en het kind een scherpe neus. Het kan zijn dat opa of tante lekker ruiken, maar toch is het voor de meeste kinderen de geur van een vreemde. Op zijn best leidt dat af van de voorstelling, op zijn slechtst begint het kind te huilen en wil tot iedere prijs van schoot of knie af, hoe mooi het verhaaltje ook mag zijn.

En dan: het gaat hier om een voorstelling. Die kan op twee manieren worden gegeven: door voor te lezen of direkt, zonder tekst op papier te vertellen. Wordt er voorgelezen, dan verdient het voor de verteller aanbeveling, de tekst eerst zelf door te nemen op dramatische hoogtepunten, mogelijke schrikaanjagende passages die kunnen worden overgeslagen, of met behulp van intonatie kunnen worden getemperd of juist geaccentueerd. Dat hangt van het kind af. Tenslotte de momenten in het verhaal waar een pauze kan worden ingelast zodat het kind zal vragen En toen. Voorlezen of direkt vertellen: beide hebben hun voor- en nadelen. Wie een dramatisch talent en een goed geheugen heeft, kan beter vertellen, want daardoor op het gezicht van het kind letten. Zo kan de verteller de voortgang van de geschiedenis beter op de luisteraar afstellen, en bovendien is er een egoïstisch motief: weinig kan wedijveren met het gezicht van een kind dat geboeid, meebelevend, meegesleept luistert. Aan de andere kant: bijna alle kinderboeken zijn geïllustreerd en de meeste kinderen willen het plaatje zien, bekijken, bestuderen. Dan moet de verteller zich wel tot de gedrukte tekst bepalen, althans hoofdzakelijk.

Kinderen zijn méér dan nieuwsgierig; belust op drama, wonderen, sensatie. In beginsel kan alles tot grondstof voor het verhaal dienen: het boterhammetje dat het zo koud had en daarom met een plakje kaas moest worden toegedekt en nu naar huis wil, d.w.z. worden opgegeten. Kijk eens hoe erg dat arme boterhammetje eraan toe is. O, o! Eet het maar gauw op, dan zit het lekker in je warme maagje, straks hoor je het misschien nog knorren van tevredenheid! Ja, ik geloof dat ik al iets hoor: knorknor. Je hoort zeker wel hoe blij dat boterhammetje nu is.

In beginsel kan alles ten behoeve van het verhaaltje van een persoonlijkheid worden voorzien en naar behoeven verder vermenselijkt. Het bed vindt het fijn dat het kind erin slaapt. 's Zomers gaan de spinnen naar de spinnenschool waar ze leren hoe ze in de herfst hun web moeten weven, daar zitten ze op een rijtje te kijken naar een oude wijze spin die al duizend webben heeft gemaakt en het nu voordoet. Het is een moeilijk werkje maar de oude spin heeft een engelengeduld. Wat is een engel? Ja, dat is weer een ander verhaaltje. Wie begrepen heeft dat het geheim in de verpersoonlijking zit, zuigt er iedere avond een uit haar/zijn duim. Wat deze passage over spinnen aangaat: zo leert een kind meteen dat een spin ook een wezen is, niet om dood te slaan maar om te ontzien, ook al wegens het prachtige web.

Het aanbod van kant en klare verhaaltjes is niet te overzien - gelukkig, omdat kinderen onverzadigbaar zijn. Maar soms is het een merkwaardige onverzadigbaarheid die grote mensen zich moeilijker kunnen voorstellen. De meeste volwassenen gaan één keer naar een film; dan hebben ze hem gezien. Een kind kan twintig, dertig keer naar hetzelfde verhaaltje over een zielige kip of over Wim die weg was luisteren en dan de volgende avond zeggen: Vertel nog eens van die zielige kip, of aankomen met het boekje Wim is weg. Wijst zo'n gerichte behoefte al op een bepaalde karakterstructuur in aanbouw? Als men groot is geworden en men nog weet wat men als klein kind het liefst hoorde kan men zelf antwoord op die vraag geven.

Ieder kind dat nog niet het voorportaal van de rauwe werkelijkheid heeft bereikt - de kleuterschool - of de werkelijkheid zelf - de lagere - is bevolkt met koningen en koninginnen, dwergen, reuzen, tovenaars en heksen, sprekende dieren, goed of slecht gehumeurde bomen, zelfstandig handelend huisraad, enz. Dat weten we. Bij het vertellen daarover geldt dat dit alles even serieus is als de krant die u nu leest, en dus ook met de diepste ernst moet worden behandeld.