Visegrad wil van Serviërs 2000 vermisten terug

SARAJEVO, 4 OKT. Advija Ziga had haar broer, Mido, die woonde in het door de Bosnische Serviërs veroverde Oostbosnische plaatsje Visegrad, op 26 mei 1992 voor het laatst aan de telefoon. Ze weet nu niet of hij dood is of levend.

Volgens cijfers van het Rode Kruis, dat belast is met de registratie en de opsporing van vermiste personen in Bosnië, worden sinds de oorlog 14.000 personen vermist. Maar het zijn er waarschijnlijk meer want niet iedereen doet aangifte van vermissing.

Van haar vader en schoonzuster die op de dag van Mido's verdwijning bij hem waren, heeft Advija gehoord dat haar broer op 26 mei 1992 met een konvooi van het Rode Kruis is vertrokken uit Visegrad naar Uzice in Servië. Mannen en vrouwen werden gescheiden. “Vlak voor Uzice werden de bussen aangehouden door Bosnisch-Servische paramilitairen”, zegt Advija, die zelf al sinds de jaren tachtig in Sarajevo woont. “Ze kwamen in de bus van de mannen en vroegen om identiteitskaarten. Mijn broer (toen 25 jaar oud, red.) werd met nog 16 jonge mannen weggevoerd. Vier mannen die protesteerden werden voor de bus vermoord.”

De bussen, waarin grote paniek was uitgebroken, keerden daarna weer terug naar Visegrad. “'s Avonds kreeg mijn schoonzuster bezoek van twee mannen die haar verkrachtten. Zij wisten dat zij Mido's vrouw was. Ze vroegen lachend waar hij was. Zij schreeuwde: 'Jullie hebben hem meegenomen'. Ze is een paar dagen later door het bos uit Visegrad gevlucht.”

Advija heeft van horen zeggen dat haar broer die dag in Uzice nog is gesignaleerd. “Iemand heeft gezien hoe hij in een grijs mini-busje werd gestopt.” Ze heeft ook een keer contact gehad via de amateur-radio met een man die zei dat Mido tot het eind van 1993 nog in Uzice was. Als ze vertelt over het laatste telefoongesprek met haar broer begint ze te huilen. “Het was een kort gesprek. Hij zei dat hij niet zeker wist of hij uit Visegrad weg kon komen. Hij vroeg mij naar de toestand in Sarajevo.”

Wekelijks komen bij het Rode Kruis rond de vijf nieuwe aangiften binnen van vermissing, zegt woordvoerster Anne-Sophie Bonefeld. Tot dusver zijn 800 zaken opgelost, in 788 gevallen bleek de vermiste persoon dood te zijn. “We denken niet dat veel van de vermisten nog in leven zijn”, zegt Bonefeld. “Anders hadden ze op de ene of andere manier wel contact gezocht.”

“Mijn broer is in Servië”, vermoedt Advija. “Hij is in de mijnen van Aleksinac of Vrosevac, waar moslim-gevangenen uit de oorlog dwangarbeid verrichten.” Maar had hij dan niet allang iets kunnen laten horen? “Hij kan ons niet bellen want niemand woont meer op hetzelfde adres. Hij zou ons nooit kunnen vinden.”

Het verhaal van de mijnen in Servië duikt steeds op, zegt Bonefeld. “We zijn er naar toe geweest en hebben met de mijnwerkers gepraat. Er waren ook moslims bij, maar die waren er allemaal vrijwillig. Ze woonden in de buurt met hun familie.” Dat de mijnen-saga is ontstaan is wel begrijpelijk, zegt Bonefeld. “De meeste mensen zijn zo wanhopig, hebben al zo lang niets meer gehoord. Niet weten of iemand dood of levend is, is ondraaglijk.”

“Ik ben zo bang voor de waarheid”, zegt Advija. “De hoop houdt mij levend. Ik zou niet kunnen accepteren dat hij dood is. Ik wil de waarheid weten, maar ik wil ook hoop houden. Het is moeilijk uit te leggen. Mijn oudste broer is ook omgekomen, in Sarajevo. Van hem weet ik dat hij dood is, maar van mijn andere broer kan ik het niet accepteren. Als mijn moeder mij belt, zeg ik altijd: 'hij is nog in leven, hij komt terug'. Ik denk dat hij nog in Servië is. Laat hem in leven zijn, laat hem terugkomen, dan vergeef ik de Serviërs alles.”

Een vervelende bijkomstigheid voor de familieleden van vermisten, zegt Advija, is dat zij geen recht hebben op enig oorlogspensioen. De familie van Advija heeft een appartement gekregen omdat haar oudere broer in de oorlog is gesneuveld, maar voor haar vermiste jongere broer heeft ze geen enkele genoegdoening gekregen. “Ik weet niet hoe de vrouwen van vermiste mannen leven. Ze hebben helemaal niets”.

Niet alle meldingen van vermissing worden geaccepteerd, zegt Bonefeld. Vermissingen moeten bij voorkeur worden aangegeven door naaste familieleden: ouders, broers, zussen of echtgenoten. De reden daarvoor is dat met cijfers over vermiste personen kan worden gemanipuleerd voor politieke doeleinden. De ene etnische groep zou de andere met hoge aantallen vermissingen onder druk kunnen zetten. “Om iemand te registereren is zeer specifieke informatie nodig. We accepteren geen collectieve aangiften die worden gedaan door verenigingen”, zegt Bonefeld.

Dat laatste is de reden dat Advija “teleurgesteld” is in het Rode Kruis. Zij heeft de vereniging Visegrad '92 opgericht met 2000 leden die volgens haar 4000 personen missen. Maar op de lijst van het Rode Kruis heeft ze maar 208 vermisten uit Visegrad teruggevonden. “Ik moet wel met het Rode Kruis samenwerken, maar ik geloof niet in ze. Ze doen niets om de vermisten op te sporen. Ze zijn Visegrad vergeten.”

Bonefeld legt uit dat het Rode Kruis vermisten opspoort met behulp van een werkgroep waar een moslim, een Kroatische en een Servische afgevaardigde in zitten, die wekelijks bijeenkomt. “We geven de namen en verzoeken hen om informatie.” Daarnaast is er de lijst met namen van vermisten die iedere drie maanden wordt geactualiseerd en over de hele wereld wordt gestuurd. De derde bron voor het Rode Kruis zijn de gegevens uit opgravingen van massagraven, maar die leveren meestal niet veel op. “Als je niet weet naar wie je zoekt, zijn schedels moeilijk te identificeren”, aldus Bonefeld.

In Visegrad was de situatie erger dan in veel andere gebieden, zegt Advija, juist omdat er geen echte oorlog heeft plaatsgehad. “De moslims die er zijn vermoord, zijn gedood met messen, niet met kogels. Ze zijn levend verbrand in hun eigen huizen.” Er liggen volgens Advija tien massagraven rond Visegrad. “Wij willen dat die worden opgegraven. Maar iedereen is Visegrad vergeten. Sinds de oorlog is niemand er meer gaan kijken. De oorlogsmisdadigers kunnen rustig slapen.”

Ze haalt een getypte lijst tevoorschijn waar 59 namen op staan: oorlogsmisdadigers uit Visegrad. De ergste van allemaal is volgens haar Milan Lukic, de aanvoerder van de groep paramilitairen die haar broer wegvoerde. Hij staat bovenaan. Een bijzonder geval is volgens Advija ook Lela Semcic, een vrouw die volgens een getuige zou hebben gezegd: “Ik moet nog twee 'balias' (denigrerende benaming voor moslims, red.) vermoorden om aan 100 te komen”.

Alle vluchtelingen in haar vereniging willen terug naar Visegrad, zegt Advija. Maar eerst moeten de oorlogsmisdadigers worden gearresteerd. “Hopelijk gebeurt dat voor het einde van dit jaar.” Want voor de gemeenteverkiezingen, eind november, zegt Advija, willen de ex-bewoners van Visegrad teruggaan. “We gaan organiseren dat ze allemaal terug kunnen. Om er weer samen te leven met de Serviërs die geen bloed aan hun handen hebben.”