Verbazing op de vierkante centimeter

Nicolaas Matsier: Dicht bij huis. De Bezige Bij. 267 blz., ƒ 37,50

Het heeft iets oernederlands, de aandacht voor het doodgewone en alledaagse in Nicolaas Matsiers nieuwe boek Dicht bij huis. In tientallen stukjes, merendeels eerder verschenen op de Achterpagina van deze krant, buigt de schrijver zich over zulke nietige zaken als een gestolen fiets, de verkennersstok, twee lampjes, het visitekaartje, de fietsbel, de groet, een kapot lusje, elleboogstukken, de mannelijke zakdoek, een bekneld geraakt tentstokje en het verblijf in de tandartsstoel. Met een hartstochtelijke nauwgezetheid wordt het meest nabije en onaanzienlijke onder een vergrootglas gelegd. Net als in de genrestukken van de zeventiende-eeuwse schilderkunst, de domineespoëzie van de negentiende eeuw en het werk van recentere dichters als Buddingh' en Schippers.

Zonder het al te zeer te benadrukken schrijft Matsier in een lange en respectabele traditie. Tegen deze vaststelling zal hij, naar ik aanneem, geen bezwaar aantekenen. Want de geschiedenis is hem dierbaar, zo blijkt op bijna elke bladzijde. Zelfs het woord 'geschiedenis' valt met opmerkelijke frequentie. Alles, ook het meest nederige, heeft zijn geschiedenis en Matsier doet zijn uiterste best er iets van op schrift te stellen. Hoewel hij soms behoefte heeft aan 'een grondige cultuurgeschiedenis van de groet', blijft de uitwerking doorgaans bescheiden. Grondigheid noch uitputtendheid is zijn doel; zijn belangstelling richt zich eerder op de vergankelijkheid die in elk historisch verloop besloten ligt.

In het kleine monument dat hij opricht voor de loper, wordt de sleutelbos van weleer niet toevallig 'een ingrediënt voor een vanitas-schilderij' genoemd, 'een oefening in de kunst van het verliezen en een voorbereiding op de kunst van het heengaan'. Hetzelfde zou over de meeste van deze stukjes kunnen worden gezegd. Matsier sluit zich niet op in nostalgie naar het verleden, hij constateert het verdwijnen (van dingen, gewoonten, woorden) vooral om de onontkoombare beweging van de tijd beter in het oog te krijgen.

Dat hij zich daar zelf evenmin aan kan onttrekken, weet hij maar al te goed. Zijn domein is dat van de herinnering en de vertraging. 'Ik wil wel achterlopen, maar niet meer dan een paar jaar.' Uiteindelijk wint het nieuwe, en zo hoort het ook, lijkt hij te willen zeggen. Maar iets anders heeft zijn voorliefde; in een van de stukjes wordt het de 'tussentijd' genoemd, de tijd tussen het niet meer en het nog niet, waarin de verandering zich als verandering laat betrappen. 'Bloei is de glorie van de tussentijd', concludeert hij dan ook, bij wijze van tegenwicht voor de melancholie die onvermijdelijk op de loer ligt bij zoveel onmiskenbare ontroering over wat verdwijnt of al verdwenen is.

Aan de bundel geeft dit een wonderlijke spanning, die echter nergens dramatische hoogten of diepten bereikt, dank zij de relativering door humor en zelfspot. Met dezelfde middelen wordt de valkuil van de onbenulligheid vermeden. Matsier toont zich een meester van de ironische overdrijving. Zo noemt hij W. Bloms Hoe schrijf ik mijn brieven 'een boek dat peilloze visioenen oproept en verschrikkelijke mogelijkheden in zich bergt'. Over een vergelijking van zijn aandeel in het huishouden met dat van zijn vrouw lezen we: 'Ik denk dat er harde gegevens moeten komen, gespecificeerd naar een door beide partijen overeen te komen classificatie van werkzaamheden. Daarmee zal ik mij hier niet inlaten, omdat ik nog onvoldoende onderzoek gedaan heb.'

Niet minder humoristisch is zijn neiging zichzelf te presenteren als een aandoenlijke zonderling, ongeschikt voor het grote leven maar gezegend met een dankbaar talent om het grote terug te vinden in het kleine. 'Met grote precisie en een zekere wellust, ik wil het niet ontkennen, gebruik ik mijn bel', voegt hij ons toe, zonder dat het in ons opkomt aan zijn woorden te twijfelen. Ook deinst hij er niet voor terug een stukje te beginnen met de bekentenis: 'Ik ben een zelfnaaiende man', een bekentenis die tot allerlei misverstanden aanleiding zou kunnen geven als Matsier niet al in de volgende zin had laten weten het letterlijk te bedoelen: naald en draad, niets anders, heeft hij op het oog.

Door de uitgever wordt dit boek aangeprezen als een vervolg op Gesloten huis. In zekere zin terecht, gelet op de talrijke invitaties tot instemmende herkenning in beide boeken. Maar, nog afgezien van het onderscheid in genre, er is wel een kwalitatief verschil. In Dicht bij huis ontbreekt de waanzin, het bevreemdende en verontrustende middelpunt van de roman, waarop het heel wat minder eenvoudig is te reageren met louter herkenning. In het nieuwe boek, zo valt alleen al uit de geruststellende titel op te maken, is dat anders.

Het vreemde blijkt zich volledig te hebben teruggetrokken in het gewone. Niets herinnert meer aan waanzin, of het moest de kennelijk onbedwingbare verwondering zijn die hier - in een reeks van volmaakt geschreven cursiefjes, een woord met de passende glans van het voorbije - wordt losgelaten op de vierkante centimeter.