Veel eigentijdse kunst is bedrog; Museum Oostende toont de vijf belangrijkste Belgische schilders

Om het tienjarig bestaan van zijn Museum voor Moderne Kunst in Oostende te vieren, heeft hoofdconservator Willy Van den Bussche een expositie van de belangrijkste Belgische schilders van de eeuw georganiseerd: Ensor, Spilliaert, Permeke, Magritte en Delvaux. Over hedendaagse kunst is Van den Bussche weinig te spreken: “Er zijn veel te veel mensen die beweren dat ze kunstenaar zijn.”

Ensor, Spilliaert, Permeke, Magritte, Delvaux. Tot 2/2/1997 in Museum voor Moderne Kunst, Romestraat 11, Oostende. Dag. 10-18 uur. Ma. gesloten.

Het Museum voor Moderne Kunst in Oostende, een eigenwijs museum, viert zijn tienjarig bestaan. Een kolossale tentoonstelling moet als vuurwerk dienen en daarom worden vanaf vandaag de vijf belangrijkste Belgische schilders van de twintigste eeuw breed uitgemeten: James Ensor, Léon Spilliaert, Constant Permeke, René Magritte en Paul Delvaux, elk vertegenwoordigd met veertig doeken, en ook met de nodige foto's en documenten die elders in de stad, in het Museum voor Schone Kunsten, licht willen werpen op het leven en het werk van deze heren.

Alwéér Ensor, Spilliaert en Magritte zucht de trouwe museumbezoeker misschien. Maar dat is onterecht, want uit binnen- en buitenland zijn na lang speurwerk soms volstrekt onbekende en niet eerder getoonde doeken tevoorschijn gekomen. Een zijde-achtige zee van Magritte bijvoorbeeld, Le Voyageur, met daarboven een planeet die alleen maar uit een kluwen van Magrittiaanse objecten is samengesteld. Een sinister drietal van Permeke, De Roker, van zich een heer verschanst heeft in een wolk van oranje verfvlagen. En van Paul Delvaux, die toch tot vervelens toe zijn frigide naakten langs de spoorbaan liet nachtwandelen, hangen hier ineens twee forse, wandbrede schilderingen van grijnzende geraamten die in een ijselijke omgeving een andere geraamte ten ruste leggen.

“Via de ene verzamelaar, ben ik steeds bij de volgende terecht gekomen”, vertelt Willy Van den Bussche. Al bijna dertig jaar is hij als hoofdconservator aan het museum van Oostende verbonden. Hij heeft het zelfs mede helpen oprichten. “Sommige collecties die ik tijdens dit detective-werk tegenkwam, waren zo verrassend dat ik die hier straks in hun geheel wil exposeren.” Waarom hij juist deze overbekende kunstenaars koos? “Omdat zij de exponenten zijn van het expressionisme en het surrealisme, de belangrijkste stromingen van de twintigste eeuw, die tot op de dag van vandaag dominant zijn.”

De hoofdconservator praat over de nu tentoongestelde werken alsof ze al decennia lang stiekem bij hem thuis boven de bank hebben gehangen. “Op dit kosmische doek heeft Permeke tijdens de oorlog met lippenstift parachutisten getekend, omdat iemand de lucht te leeg vond. Nee, er is nu geen spoor meer van te zien. En valt u op dat andere schilderij die lijn niet op die langs die tafel loopt? Dat is de onderschildering van een reusachtige boerenkar. Jammer dat hij zoveel doeken opnieuw gebruikte.” Even dreigt hij ferm zijn duim door het linnen te drukken: “Permeke schilderde ook met zijn handen, en om dat rullige effect te krijgen, zette hij op deze manier zijn duim in de verf.”

Sterallures

In tegenstelling tot zijn Gentse collega Jan Hoet, die als orakel graag de media vertelt hoe men over de recente beeldende kunst dient te denken, opereert Van den Bussche in stilte. Hij houdt niet van sterallures: “Museumdirecteuren zijn tegenwoordig kunstenaars, en kunstenaars museumdirecteuren. Daar houd ik mij verre van. Want als de persoon van een museumdirecteur zo belangrijk is, dan maakt het ook niet uit wat hij tentoonstelt.” Liever ziet Van den Bussche de zakelijke en inhoudelijke kant van het museumbedrijf strikt gescheiden. Hijzelf maakt tentoonstellingen; de Vlaamse organisaties voor het toerisme moeten zijn werk maar 'verkopen'.

Die inhoudelijke werkzaamheden zijn op zichzelf geen sinecure. De ambtenarij en de rivaliteit tussen Belgische musea gooien vaak roet in het eten. Vorige week liepen er ineens zonder afspraak vijf veiligheidsambtenaren het museum binnen. Ze stoorden Van den Bussche tijdens een interview, posteerden zich tussen hem en de journalist, want ze moesten meteen praten over het verplaatsen van een pictogram, bijvoorbeeld. Ook toen de veiligheidsheren dreigden met arrestatie door de gendarmerie weigerde Van den Bussche hen te woord te staan. “Vroeger stond ik bij zo'n incident te bibberen op mijn benen. Maar na vele jaar vechten tegen de bestuursoverheden en tegen het onheil van de politiek, is het genoeg geweest. Ik kan er niet meer tegen.”

En over rivaliteit gesproken: de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel bezitten 150 Magrittes. Geen enkel doek wilde men in bruikleen afgestaan. De annonce van de jubileumtentoonstelling in Oostende vormde juist een aanleiding om deze collectie snel en gelijktijdig te exposeren. Zodoende kan men de komende maanden Oostende lekker dwars zitten. De verantwoordelijke conservator in Brussel had Van den Bussche tijdens de voorbereidingen al geschreven dat de samenwerking 'miniem' zoniet 'onbestaand' zal zijn. “Ach, die persoonlijke rivaliteit heeft niets met kunst te maken, maar blijkbaar stimuleren we de hoofdstad wèl, want ze doen nu weer eens wat. Meestal hebben ze zo'n houding van 'val me alsjeblieft niet lastig!”'

Het museum in Oostende bezit circa drieduizend, voornamelijk Belgische, kunstwerken en het organiseert vijftien tot twintig tentoonstellingen per jaar. Een aankoopbudget van 3 miljoen Belgische franken, ruim 55.000 gulden, sluit een avontuurlijke uitbreiding van de collectie uit. Hoewel België, vergeleken met Nederland, veel meer particuliere verzamelaars telt, neigt men er hier nauwelijks toe schenkingen te doen. Eigenaren verkopen hun stukken liever in en aan het buitenland.

Om een betere relatie met deze kunstliefhebbers te krijgen, om hun bezit tentoon te kunnen stellen en ook om jongere mensen tot de liefde voor het verzamelen aan te zetten - “ik heb de indruk dat de nieuwe generaties zeer zakelijk zijn geworden” - heeft Van den Bussche onlangs 'een museumclub op humanistische grondslag' opgericht, ondergebracht in het net uitgebreide museumrestaurant, dat graag als volwaardig restaurant wil doorgaan.

Toch blijft het opvallend dat het museum in Oostende de jonge, eigentijdse kunst nauwelijks aan bod laat komen. De afgelopen jaren stonden weliswaar bezienswaardige exposities op het programma - moderne schilders uit Afrika, zoals Chéri Samba, de striptekenaar Herr Seele met zijn Cowboy Henk en Mexicaanse muralisten als Diego Rivera - maar naar 'wild walls' zoals in het Stedelijk in Amsterdam, zoekt men hier vergeefs.

“Veel eigentijdse kunst staat gelijk aan bedrog”, zegt Van den Bussche. “Het experiment is nodig om tot vernieuwing te komen en ik besef terdege hoe belangrijk dat laboratoriumonderzoek is, want ik ben bepaald niet reactionair. Maar musea verwarren dat experiment vaak met een kunstwerk. Het is aan galeries en kunsthallen om die onderzoekingen te tonen. Musea dienen werken te verzamelen van kunstenaars die een oeuvre hebben opgebouwd, die zich bewezen hebben, die kringen hebben gemaakt, die anderen hebben beïnvloed.

“Ik bezocht onlangs een tentoonstelling bij de Stichting De Pont in Tilburg. Ik zag een grote bal in een wolhok liggen. Na tien minuten stond ik weer buiten. Er is geen grensverleggende kunst meer. Het is allemaal al eens eerder gedaan. En men presenteert het alsof het volstrekt nieuw is. Er heerst blijkbaar alom amnesie, men kent het verleden niet meer.

“We leven in een tijd van aftakeling. Normen en waarden zijn op de helling gezet. En dat zie je in de kunst ook. Niet kwaliteit, maar maatschappelijke context is tot kunst verheven. Er zijn ook veel te veel mensen die beweren dat ze kunstenaar zijn. Dat is ook een gevolg van dat nivelleren dat je overal in de samenleving ziet. Drempels verlagen is uit den boze. Ik acht het taak van de kunstenaar die drempels, die kwaliteit, juist te verhogen. Joseph Beuys is met zijn uitspraak 'Jeder Mensch ist ein Künstler' trouwens ook debet aan dat enorme aanbod. Maar hij achtte zichzelf natuurlijk wel de grootste van allen.

“Heeft u deze zomer de Manifesta-tentoonstellingen in Rotterdam gezien? Dat stelde niets voor. Men krijgt van mij een nul. Die organisatoren beweren, geloof ik, supergeniaal te zijn, in de trant van 'wat u ziet, kunnen alleen wij begrijpen'. Ze vergissen zich. Ze willen de kunst elitair maken, maar kunst is niet elitair meer. Ook tentoonstellingsbezoekers hebben veel informatie tot hun beschikking. Zij willen niet onderschat worden. Bij een volgende Manifesta zal menigeen het laten afweten. Iets dergelijks is hier in Brugge gebeurd. Daar stelden ze een paar jaar geleden met de nodige tam-tam derderangs-impressionisten tentoon. Er kwamen veel mensen op af. Maar naar de volgende exposities kwam niemand meer. Bezoekers willen niet bedrogen worden.”

Bill Viola

Van den Bussche kijkt niettemin uit naar wat de Hi-Tech in de huidige beeldende kunst te zien gaat geven. “Je moet een heel goed kunstenaar zijn om daar iets mee te doen wat anderen niet kunnen, iets dat alle tv-beelden dépasseert”. Zoals de videokunst uiteindelijk een klein aantal opmerkelijke kunstenaars heeft voortgebracht, Gary Hill en Bill Viola bijvoorbeeld, zo verwacht ook Van den Bussche dat een beperkt aantal Hi Tech-kunstenaars zal overblijven; “Je moet er toch niet aan denken dat het er honderdduizend zijn!”

Het is hem trouwens opgevallen dat in het Stedelijk Museum in Amsterdam juist weer vaak schilderijen te zien zijn. “Rudi Fuchs is een estheet. Hij zal wel denken 'geef mij maar weer een goed doek'. Hij heeft al die troep te lang moeten appreciëren om op de troon te komen waar hij nu zit.” Vergeefs probeerde Van den Bussche zeven jaar geleden de keramische sculpturen van Betty Woodman in zijn museum te krijgen. “Gelukkig is haar werk nu in de Erezaal van het Stedelijk Museum in Amsterdam letterlijk boven komen drijven.”

Laten we vooral niet denken dat Van den Bussche zich als een verbitterd Oostendenaar in dat voormalige warenhuis zit te verbijten. Integendeel, hij heeft nogal wat plannen. Afgezien van die museumclub zal hij in 1998 een nieuwe, internationale Triennale van Brugge organiseren, naar voorbeeld van de Triennales in 1968, 1971 en 1974. De titel zal luiden No bullshit and shit anymore. Stad en provincie zijn al akkoord gegaan. In alle Europese landen zullen een of twee deskundigen aangezocht om een selectie te maken en vervolgens zal het volledige comité van deskundigen de inzendingen beoordelen.

“Men verwijt mij wel dat ik nogal ferme uitspraken doe, zoals nu tijdens dit interview. Maar als ik mijn mening niet meer ten beste mag geven, wat is mijn taak dan hier? Zonder opinie hoef ik hier ook helemaal niet meer te zijn. Kent u trouwens die uitspraak van Permeke? 'De tijd zet alles recht'.”