Treurige kleine levens

A. Moonen: Koud Buffet. L.J. Veen, 110 blz., ƒ 24,90

Eerst lees je 'bene-denk-leren', dan, omdat er 'laten zakken' achter staat, besef je pas dat het om een broek gaat. Beneden-kleren dus. Moeizaam proza schrijft A. (punt) Moonen soms, in woord- en zinsbeeld. Lidwoorden laat hij gewoontegetrouw weg, hij is dol op inversie en het tegenwoordig deelwoord plaatst hij zo consequent in de verkeerde grammaticale constructie dat het wel om een bewuste keuze zal gaan. 'Op een druilerige zaterdagmiddag (...) de balans van mijn erotische wanen opmakend, dient vastgesteld te worden, dat 1993 een aanzienlijk beter jaar was.' We begrijpen, inderdaad, heus wel wat de schrijver bedoelt - en hij kan intussen bogen op zoiets als een eigen stijl.

Moonens nieuwe boek, Koud buffet, is een verzameling praatjes die de schrijver voor de VPRO-radio gehouden heeft. Dat begrijpt men althans uit de tekst, de uitgever hult zich op de omslag in enigszins bedrieglijk stilzwijgen. Misschien juist omdat ze voor de radio bestemd waren, beslaan sommige van de verhalen slechts twee pagina's. Dat is prettig. Je kunt het boek ieder moment ongestraft wegleggen, want zo dun als het is, de behoefte aan een adempauze ontstaat regelmatig. De huis- tuin- en achterbuurtbelevenissen (geen woordspeling zoals ze in het boek over elkaar heen tuimelen) van de schrijver vermoeien nogal eens, door de monotonie en tegelijkertijd het tempo waarin ze opgedist worden.

Zijn verhalen zijn bevolkt met steeds maar weer dezelfde kabaalschoppende buren, bijslapen van beiderlei kunne (de titel verwijst naar frigide bedgenotes), katten en Turkse minnaars met voorkeur voor de anale variant. Omdat er over lezen (hoe geestig soms ook opgeschreven) al murw maakt, kan men er slechts naar raden hoe het zijn moet dit alles aan den lijve te ondervinden. Er gaat immers ook in dit boek ongetwijfeld weer veel biografie om.

Moonen is een even getergde als onverzettelijke natuur. Acht boeken lang al is hij monomaan in de weer met zichzelf, zijn onveranderlijke contacten aan de zelfkant van de samenleving zijn slechts bij-figuren. Hij is, ondanks de bezwaren, op zichzelf een eigenzinnig klein strominkje in de Nederlandse literatuur, al is hij soms al te opzichtig schatplichtig aan Gerard Reve, Jan Arends, ja zelfs Nescio. Zijn kracht is de schets van een treurig klein leven, vol viezigheid die zijn wellust en burengerucht die zijn woede opwekt.

Tegelijkertijd slaagt hij erin de vaalheid van zijn geschiedenis te verzachten met een weldadig soort relativering: het leven dat hij leidt heeft hem ook gehard. Eigenlijk maakt hij zich nergens druk over, en observeert hij meer dan hij beleeft. Daardoor wordt hij in plaats van een betrokkene een dirigent, een soort god die het gepruttel beneden hem met medeleven en vertedering gade slaat.

In weerwil van alle passages over seks (bedreven in 'de scheepshut') schrijft Moonen over doelloosheid en de betekenisloosheid van het leven. Daarom is zijn proza geen pornografie. 'Kort had zij m'n piemel omvat en betast. Toch kon ik mij ermee verzoenen dat we ons begonnen aan te kleden. We dronken nog een glas 7up'. Aan hetzelfde besef van betrekkelijkheid danken we mooie zinnetjes als: 'Vóór mijn vertrek naar de hoofdstad per openbaar vervoer rook ik nog een aantal filtersigaretten' en, sprekend over de op de grond gevallen inhoud van 'een handtasje van overledene': 'Een fotoalbum had haar bestaan voor eeuwig vastgelegd.' Ook de slotzin van de bundel mag er zijn: 'Ik kan mij niet herinneren of er sneeuw in het geding was'.

Als Moonen milde (zelf)spot peurt uit de door hem opgeroepen treurigheid is hij op zijn best. Het verhaal Beukezalf is het mooiste voorbeeld. Op een simpele, keurig-chronologische verteltoon wordt daarin de dood en crematie van een 'buurtkennis' beschreven. Over de dood gaat het eigenlijk nauwelijks, die is er direct aan het begin al. 'Kijkt u uit, want 't is koopavond', zegt de 'ik' tegen de door hem telefonisch gewaarschuwde moeder, die toezegt een kijkje te komen nemen. '“Ik heb wel voor hetere vuren gestaan”, antwoordde zij, niet wetend dat ze als eerste hem aanstonds verhangen zou waarnemen.' Volgt een afstandelijk ('Rouwkaarten zouden de ouders niet verzenden') maar toch ook betrokken verslag ('Net als in m'n eigen keuken, kon ik wederom huilen, met de moeder mee') van de gebruikelijke gebeurtenissen na een sterfgeval. Moonens boek getuigt vaak van te weinig zelfkritiek maar soms dringt in zijn smoezelige alledaagsheid de eeuwigheid door.