Reactor op verkeerde plaats en verkeerde moment; Verzet Dodewaard traag op gang

ROTTERDAM, 4 OKT. De geschiedenis van de kernreactor Dodewaard is er - achteraf gezien - een van een interessante reactor die op de verkeerde plaats en op het verkeerde moment in gebruik werd genomen.

Tegen de achtergrond van een bloeiende Betuwe werd de reactor aan het net gekoppeld en direct, voor het eerst in de geschiedenis, begon zich - zij het aarzelend - een anti-kernenergiehouding af te tekenen.

Toen begin jaren zestig uit ontwikkelingen in het buitenland duidelijk werd dat uranium misschien wel de energiebron van de toekomst was, ontstond ook bij de SEP (de samenwerkende elektriciteits producenten) de behoefte om ervaring op te doen met een kleine nucleaire energiecentrale.

Aanvankelijk is getracht er een geheel op eigen kracht door de Kema te laten ontwerpen, maar toen dat te lang ging duren viel het besluit een kleine 50 MW reactor van een 'beproefd' type neer te zetten.

In februari 1965 werd de NV Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland (GKN) opgericht die de nieuwe centrale zou ontwerpen, bouwen en bedrijven. GKN zocht contact met het Amerikaanse General Electric en wist te bedingen dat deze alleen de know-how zou leveren, maar dat de reactor zelf vrijwel volledig door de Nederlandse industrie zou worden gebouwd. Daaruit, en uit de opdrachten voor de KWU-reactor in Borssele (1969-1973), stamt de nucleaire expertise bij het Nederlandse bedrijfsleven, een expertise die nu bijna is verdwenen.

Dodewaard is een zogeheten kokendwaterreactor. Het is een reactor die zowel voor de afremming van neutronen als de noodzakelijke koeling gebruik maakt van gewoon water ('licht water' in jargon) dat al in het reactorvat tot koken komt en met zijn stoom rechtstreeks turbine en generator aandrijft.

Dodewaard gebruikt licht verrijkt uranium, in totaal tien ton, dat in 164 splijtstofelementen van elk 36 staven in het water hangt. Het bijzondere van het ontwerp is de natuurlijke circulatie van het koelwater. De gewenste waterstroming komt door natuurlijke convectie tot stand en is onafhankelijk van pompen. Na de ongelukken in Harrisburg en Tsjernobyl is de interesse in dit soort passieve koeling sterk toegenomen en van de zijde van General Electric en het Amerikaanse research-instituut EPRI is steeds veel belangstelling voor Dodewaard blijven bestaan.

Dodewaard mist een herkenbaar insluitsysteem zoals de betonnen koepel die over 'Borssele' is geplaatst. Daardoor kon bij tegenstanders van de reactor - ten onrechte - het idee post vatten dat de reactor helemaal geen insluitsysteem had.

Na een bouwtijd van nog geen vier jaar werd Dodewaard in 1968 kritisch. In maart 1969 werd de reactor aan het net gekoppeld. De eerste jaren stonden velen nog zó positief tegenover het nieuwe fenomeen dat er nauwelijks genoeg 'open dagen' georganiseerd konden worden. Maar al in 1972 was de wind definitief omgeslagen. Dodewaard werd het mikpunt van de ene na de andere anti-kernenergie demonstratie en de GKN moest zich van lieverlee verschansen achter zware omheiningen met grimmig prikkeldraad.

De branche deed veel moeite om uit te leggen dat kernenergie veilig was, maar het ongeluk met de reactor bij Harrisburg (1979) deed de pogingen teniet. De Brede Maatschappelijke Discussie over het energiebeleid die begin jaren tachtig werd gehouden plaatste kernenergie, en dus ook Dodewaard, voortdurend in de aandacht. De ramp bij Tsjernobyl (1986) had hetzelfde effect. Acties bij Dodewaard werden een vertrouwd verschijnsel.

De laatste jaren kwam de reactor vooral in het nieuws door allerlei procedurele kwesties die, ironisch genoeg, ten dele samenhingen met de pogingen om de veiligheid van de reactor te vergroten en de bestaande vergunningen inzichtelijker te maken.

De kwesties werden door de tegenstanders van kernenergie maximaal en soms met succes uitgebuit. De Raad van State trok de vergunning voor Dodewaard in, maar een gedoogbesluit verhinderde dat de reactor kwam stil te liggen.

Ondanks een aantal 'ongeplande reparaties' (om lekkages te verhelpen) heeft de reactor een goede staat van dienst. De bescheiden experimenten, onder meer met de inzet van de plutonium-houdende brandstof MOX, waren nauwelijk van invloed op de beschikbaarheid. Zoals was voorzien speelde Dodewaard geen noemenswaardige rol in de stroomvoorziening.

De reactor was er aanvankelijk om nucleaire kennis te verwerven en de laatste tijd vooral om deze in stand te houden. Het was de enige Nederlandse vermogensreactor die zich ertoe leende om jonge, nucleaire technici wat ervaring te laten opdoen. Tezijnertijd, als Nederland weer nieuwe reactoren ging plaatsen, moest dat tepas komen.

Mèt de gisteren geuite instemming van minister Wijers met de sluiting van Dodewaard wordt duidelijk dat niet langer zwaar getild wordt aan de instandhouding van de kennis waarvoor minister Andriessen nog een apart potje had gesticht. Begin dit jaar beëindigde Wijers het programma, de sluiting van Dodewaard is een tweede teken aan de wand.

De SEP koestert de schrale hoop dat de sluiting, conservering en latere ontmanteling van Dodewaard nog wat aardige inzichten kan opleveren, kennis die misschien nog te gelde kan worden gemaakt. Maar veel andere Europese centrales zijn Dodewaard in dit opzicht al voorgegaan. Ook uit stervensbegeleiding en nazorg zal niet veel winst te halen zijn.