Politici kennen migratiecijfer niet

DEN HAAG, 4 OKT. Tijdens de algemene politieke beschouwingen in september ontstond knallende ruzie tussen de fractievoorzitters van de VVD en de PvdA, Bolkestein en Wallage. Een emotionele Wallage beschuldigde de voorman van de liberalen in de Tweede Kamer van “vissen in de vijver van onrust” met diens voorstel een speciale politie-eenheid op te richten voor de aanpak van mensensmokkel, opsporing en uitzetting van illegalen en bewaking van de buitengrenzen.

Het thema keert voortdurend terug. Zelden hebben de politieke debaters het echter over de feiten. Wallage suggereerde in de Tweede Kamer dat het aantal allochtone immigranten afneemt. De feiten blijken anders. Zo neemt het aantal immigranten uit de Antillen en Aruba in 1996 weer toe, na een “flinke afname” sinds het begin van de jaren negentig. Aan de stijging van de emigratie van Antillianen en Arubanen kwam daarentegen een eind. Onder Turken en Marokkanen valt een soortgelijk patroon te onderkennen. Ook het aantal Surinamers dat zich in Nederland vestigt neemt sinds 1995 weer toe.

De grootste categorie allochtonen bestaat uit een bonte mengeling van personen die niet in één van de rijke westerse landen zijn geboren. De groep asielzoekers is slechts één van de vele migratiecategorieën. De afgelopen jaren kreeg deze categorie de meeste aandacht van de politiek. Met tal van maatregelen werd getracht de toestroom naar Nederland in te dammen.

Daarbij doet zich volgens het CBS steeds hetzelfde manco voor: de maatregel werkt maar even. In 1993 en 1994 steeg het aantal asielzoekers zeer sterk. Na een piek begin 1994 volgde onder invloed van diverse restrictieve maatregelen een daling. In het eerste halfjaar van 1996 lijkt het aantal asielzoekers zich te stabiliseren. Het huidige niveau ligt volgens het CBS in de buurt van dat in het begin van de jaren negentig, toen jaarlijks ruim 20.000 asielzoekers naar Nederland kwamen.

Volgens het CBS moet onderscheid worden gemaakt tussen asielzoekers en asielmigranten. Asielzoekers worden niet meteen op het moment dat ze een asielverzoek indienen als immigrant geregistreerd. In principe volgt inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) pas op het moment dat een verblijfstitel is verkregen. Geschat wordt dat in 1994 24.000 asielzoekers als immigrant zijn geteld en in 1995 19.000. Het aantal asielmigranten fluctueert dus veel minder sterk dan het aantal asielzoekers, dat daalde van bijna 53.000 in 1994 naar 29.000 in 1995.

De toename van de immigratie in 1996 roept volgens drs. J. de Beer van het CBS “de vraag op of de effectiviteit van de in 1993 en 1994 genomen maatregelen terugloopt'. Zo werden in 1993 de regels voor gezinshereniging en gezinsvorming aangescherpt. Vanaf april 1994 is de procedure verzwaard voor het aanvragen van een vergunning voor een verblijf van meer dan drie maanden en vanaf mei 1994 zijn de regels voor inschrijving in het bevolkingsregister aangescherpt. Verder werden nog maatregelen genomen tegen schijnhuwelijken en is de procedure voor asielzoekers gewijzigd. Bolkestein bepleit in navolging van onder meer Duitsland nog meer restrictieve maatregelen.

De VVD maakt zich met name zorgen over de toekomstige werkgelegenheidssituatie. De helft van de stijging van de werkloosheid tussen 1988 en 1994, zo valt te lezen in de kabinetsnota Werken aan zekerheid, is veroorzaakt door de gestegen werkloosheid onder allochtonen. Allochtonen zijn sterk oververtegenwoordigd in de categorie lager opgeleiden, naar wie weinig vraag bestaat.

Volgens de meest gangbare bevolkingsprognose zal 80 procent van de komende bevolkingsgroei tot het jaar 2040 bestaan uit allochtonen. Het gaat daarbij in totaal om 1,6 miljoen personen die niet in Nederland zijn geboren. Als het aantal tweede-generatie-allochtonen, van wie één of beide ouders niet in Nederland zijn geboren, wordt meegeteld, neemt het aantal allochtonen nog sterker toe.