Polen kreeg in 1981 'klein kwaad'

FRANKFURT, 4 OKT. Wojciech Jaruzelski, de Poolse generaal en partijleider die in december 1981 met geweld een einde maakte aan de onstuitbare opmars van de vrije vakbond Solidariteit, is precies vijftien jaar na dato nog steeds overtuigd van de juistheid van zijn beslissing indertijd.

Hij kon in 1981 kiezen tussen twee kwaden: chaos én een Sovjet-interventie of zelf ingrijpen. Hij koos voor het “kleinere kwaad”. De militaire noodtoestand van 13 december was het resulaat.

Al in 1992 publiceerde Jaruzelski zijn herinneringen in Polen zelf. Pas eergisteren verscheen de eerste vertaling en wel bij de enigszins obscure Duitse uitgever Militzke uit Leipzig. Op de Buchmesse in Frankfurt presenteerde hij zijn Hinter den Türen der Macht, Der Anfang vom Ende einer Herrschaft. Vooral de ondertitel dekt de lading van Jaruzelski's zelfbeeld uitstekend. De generaal, die zich in de ogen van menig Pool schuldig heeft gemaakt aan een “misdaad”, voelt zich nog steeds een mislukte maar bovenal miskende hervormer tussen “hamer een aambeeld”.

Volgens Jaruzelski, die na de presentatie met de pers sprak, was ingrijpen indertijd om twee redenen noodzakelijk. Ten eerste omdat hem duidelijk werd dat het geduld met het Poolse experiment, om Solidariteit bewegingsvrijheid te geven, in met name Moskou en Oost-Berlijn was uitgeput. En ten tweede omdat de vrije vakbond van Lech Walesa in het najaar van 1981 steeds duidelijker maakte dat ze uit was op een confrontatie met de socialistische partijleiding en regering in Warschau, hoewel Walesa zelf volgens Jaruzelski toegaf nog niet klaar te zijn voor de macht. Solidariteit was een “trein zonder dienstregeling” die, in de ogen van Jaruzelski, de Poolse economie en de staat dreigde te ontwrichten.

De dreiging uit de Sovjet-Unie en de DDR begreep Jaruzelski het beste. De signalen uit beide “socialistische broederlanden” deden hem aan 1968 herinneren toen een interventie van het Warschaupakt in augustus een einde maakte aan de 'Praagse lente'. Toen was Jaruzelski, net minister van defensie van Polen, op de Krim met vakantie. “Rust goed uit”, had secretaris-generaal Leonid Brezjnev hem toen in Moskou toegewenst. Nu zei dezelfde Brezjnev hem op 7 december 1981 door de telefoon: “De contrarevolutie zit jullie in de nek. Als jullie geen vastbesloten maatregelen nemen, is het te laat. Dan is het ons aller zaak”.

Ondertussen hielden de troepen van het Sovjet-leger, al dan niet in samenwerking met de andere Warschaupakt-landen, om de haverklap oefeningen onder omineuze codenamen als Westen en Grens. Jaruzelski zelf werd in het diepste geheim in een spoorwegwagon in Brest door de militaire leiding van de Sovjet-Unie ontboden, precies zoals in 1968 ook met de Tsjechoslowaakse partijleider Dubcek was gebeurd in een Slowaakse grensplaats. En ondertussen draaide Moskou ook economisch de duimschroeven aan. De export naar Polen, vooral van cruciale grondstoffen, stortte in 1981 naganoeg volledig in, hetgeen geen toeval was. Dat SED-chef Erich Honecker in die maanden in Moskou kind aan huis was, om bij partijbonzen als Michail Soeslov (ideoloog), Andrej Gromyko (buitenlandse zaken) en Dmitri Oestinov (defensie) zijn beklag over de Polen te doen, compliceerde de verhoudingen vervolgens nog meer. “Voor de DDR waren de gebeurtenissen in Polen een kwestie van zijn of niet-zijn”, aldus Jaruzelski eergisteren.

Het alibi om van buitenaf in te grijpen, zou hun volgens de Poolse generaal geboden worden door de koers die Solidariteit voer. Die was, aldus Jaruzelski, samen te vatten met: “hoe slechter, hoe beter”. Terwijl de halve economie in Polen tot stilstand was gekomen en de winter in aantocht was, riep de vakbond op tot grootscheepse acties op 17 december 1981. De Poolse geheime dienst had geen aanwijzingen dat Walesa en de zijnen op hun schreden wensten terug te keren. “Walesa stond, net als ik in de Poolse partij, onder druk van nationalistisch en antisemitisch rechts in Solidariteit enerzijds en populistisch-links anderzijds”. Om deze confrontatie tussen regering en vakbond voor te zijn, en aldus Moskou de wind uit de zeilen te nemen, besloot Jaruzelski het reeds uit en te na voorbereide plan voor een semi-militaire coup in werking te laten treden.

Jaruzelski beschikte niet over harde aanwijzingen uit de Sovjet-Unie, maar hij meende dat de 'havikken' de overhand hadden. Hij had had bovendien eigen ervaringen met de Sovjet-Unie. In 1939 was hij als zestienjarige jongen met zijn vader, een representant van de bezittende klasse in Polen, voor de Duitsers naar Litouwen gevlucht. Daar werd het gezin-Jaruzelski door de NKVD gearresteerd en vervolgens naar een concentratiekamp bij de Siberische rivier Oka gedeporteerd. “De gevangenschap in Siberië was een bittere ervaring, maar ook een les”, zei Jaruzelski gisteren. “De dreiging van de Russische vuist nam ik in 1981 dan ook zeer serieus. Als we toen hadden toegegeven aan de chaos, waarop Solidariteit uit was, dan was Polen door die vuist vernietigd”.

Nu, vijftien jaar later, voelt Jaruzelski zich nog steeds een 'hervormer'. Zonder hem zou de machtsoverdracht in 1989 aan Walesa en solidariteit niet zo soepel zijn verlopen. “Polen was het proef-laboratorium voor de perestrojka”. In die zin waant hij zich een lotgenoot van Michail Gorbatsjov. Niet alleen in zijn boek duikt Gorbatsjov te pas en te onpas op (de latere partijleider hoorde in 1981 nog tot het tweede echelon), ook in de conferentie na de presentatie refereert Jaruzelski onmiddellijk aan hem. “Zijn de memoires van Gorbatsjov al in het Russische verschenen?”, is het eerste wat hij wil weten. Want Russisch is nog altijd de enige vreemde taal die Jaruzelski spreekt en, anders dan veel jongere Polen, nog steeds zonder schroom.