Onhandig samenraapsel van emoties

Michel Krielaars: Meeuw. Contact. 121 blz., ƒ 36,90

Er is niets nieuws onder de zon, wist de Prediker al. Het lijkt wat flauw om deze bijbelse wijsheid juist bij een debuut weer eens aan te halen, maar Michel Krielaars nodigt er met zijn roman Meeuw wel toe uit. Alleen de titel al herinnert aan eerdere literatuur: een roman van Bernlef, een toneelstuk van Tsjechov, een gedicht van Judith Herzberg. En net als bij deze gerespecteerde voorgangers symboliseert de meeuw een verlangen naar vrijheid, een taak die Krielaars' meeuw met verve vervult. Op gezette tijden scheert hij onheilspellend langs het raam, om degene die zich in de kamer bevindt te herinneren aan zijn of haar beperkingen.

Ook in andere opzichten doet dit debuut denken aan wat er al was. Het flatgebouw dat we al kenden uit De tranen der acacia's, de Wolkenkrabber in Amsterdam, duikt ook hier op. De beschrijving van het kille juristenmilieu waarin zich een deel van de gebeurtenissen afspeelt, doet enigszins denken aan sommige romans van Bordewijk en Vestdijk. En een moordaanslag met presse-papier is ook al eens eerder gepleegd.

Krielaars lijkt te passen in een eerbiedwaardige traditie, maar dat is helaas toch niet helemaal waar. Zijn boek doet ouwelijk aan, ietwat belegen zelfs, zowel naar de inhoud als naar de vorm. Bovendien is het zo rijk aan clichés dat het af en toe wel een persiflage lijkt te zijn. Maar een persiflage waarop? Op Tsjechov, of Bernlef, of op de roman in het algemeen?

De drie hoofdpersonen, een moeder, een dochter en de echtgenoot van de dochter proberen ieder voor zich greep te krijgen op hun bestaan. Het is weinig overtuigend dat ze alle drie op hetzelfde moment een soort licht zien en 'ineens' beseffen dat er iets ontbreekt in hun leven. En dan laten ze er ook meteen geen gras meer over groeien. De tachtigjarige moeder vertrekt spoorslags naar Schaarbeek om er haar oorlogsverleden uit te pluizen. De dochter neemt, na vijftig jaar als een zombie te hebben geleefd, plotseling het ene kloeke besluit na het andere. En de echtgenoot, die tot dan toe alleen oog had voor zijn carrière, stort zich onverhoeds in een liefdesrelatie met de dochter van zijn baas.

Zo opzienbarend is het nu ook weer niet wat er in deze roman gebeurt, maar toch is het allemaal te veel, vooral op emotioneel gebied. De moeder die zich het ene moment nog 'gelaten' voelt is even later, om duistere redenen, plotseling desperaat. 'Haar ogen straalden wanhoop uit.' Ook de dochter en haar man zijn onderhevig aan krachtige stemmingswisselingen. Onbevangenheid wordt binnen het kwartier afgelost door paniek, en paniek weer door een gevoel van triomf. Berusting en woede, wanhoop en tevredenheid, verlangen en afkeer, kalmte en totale verwarring wisselen elkaar op eigenaardige wijze af. Krielaars' geesteskinderen worden er soms raar van, zo lijkt het, want dan staat er bijvoorbeeld: 'Zijn boord hing open, net als zijn ogen, die haar een geheimzinnige blik toewierpen.'

Krielaars lijkt zijn best te hebben gedaan om een echte roman te schrijven, met een meerduidig perspectief, met flashbacks, met oorlogsgeluiden op de achtergrond, met veel drama en verwikkeling en met een poging tot doodslag als klap op de vuurpijl. Toch is het een wonderlijk samenraapsel van emoties geworden, waaraan elke bodem ontbreekt. Onhandig, dat is wel het goede woord voor dit debuut, dat niet alleen onder zijn gevoelsverwarring, maar ook onder zijn zwakke stijl bezwijkt. Talrijk zijn de zinnen waarmee iets mis is. Waarin een pet bij wijze van groet niet wordt gelicht, maar opgelicht. Waarin een vrouw niet dribbelt, maar 'dribbelend loopt'. Of waarin sprake is van 'een toenemend crescendo'. Al op de allereerste bladzijde, waarin de moeder wordt geïntroduceerd, staat een zin als deze: 'Uit het rijtuig van de eerste klas stapte een rijzige oude dame met in haar linkerhand een kleine koffer'. Geen van de bijzonderheden die hier blijkbaar over de vrouw moeten worden gemeld, keren in de roman terug. Ook van haar 'opvallend dunne wenkbrauwen' wordt later niets meer vernomen.