Onderzoekers: direct na landing op vliegveld Eindhoven zijn alle inzittenden nog in leven; 'Slachtoffers Hercules ingehaald door slaap'

EINDHOVEN, 4 OKT. “De slachtoffers zijn ingehaald door de slaap, ze hebben zeer waarschijnlijk geen pijn geleden.” In de volle zaal van het Luchtmacht-verzorgingscomplex op het gecombineerde militaire en burgervliegveld Eindhoven Airport wordt het heel stil. Hoofdinspecteur voor de volksgezondheid dr. G.H.A. Siemons vervolgt zijn harde maar eerlijke relaas over wat er werkelijk gebeurde na drie minuten over zes in de middag van de 15e juli van dit jaar.

Direct nadat het militaire transporttoestel Hercules C130 van de Belgische luchtmacht is neergestort op het vliegveld Eindhoven zijn alle inzittenden nog in leven. “De passagiers hebben zich losgemaakt uit de stoelen en zijn naar achteren gegaan in de laadruimte. Niemand heeft door de klap zulke ernstige inwendige fracturen opgelopen dat deze fataal zijn geweest”, zegt Siemons. Hij beschikt nog niet over het officiële autopsierapport van het gerechtelijk laboratorium, zijn conclusie is gebaseerd op een (medische) schouwing ter plekke.

Onmiddellijk na het ongeluk komen ook vliegtuigcommandant G.J. Gielen, zijn co-piloot D. Vandereijken, die het toestel bestuurde, en boordwerktuigkundige H. Vomberg uit de brandende cockpit naar achteren gelopen. De Belgische officieren willen hun loadmaster, die als vierde bemanningslid achterin het laadruim zat, en de 37 muzikanten van het fanfarekorps van de Koninklijke Landmacht uit Vught helpen bij de evacuatie.

De Belgische luchtmacht-generaal G. Vanhecke, die het technisch onderzoek naar de ramp heeft geleid, zegt zich “fier te voelen op dit moedige gedrag”. De grote deuren van het toestel zitten alle klem. Met de grootste moeite krijgt men er één niet meer dan tien centimeter open. Een andere weet men nog te ontgrendelen, maar ook deze klemt. Ze gebruiken brandblussers, maar het effect is gering. Dan knapt er een hogedruk-zuurstofleiding van het vliegtuig en een hevige, vooral giftige brand begint.

Onder meer als gevolg van verbranding van kunststoffen dringt een grote hoeveelheid hete en zeer giftige gassen als koolmonoxyde, cyanide en halon het laadruim binnen. De overlevenden hebben dan nog maar enkele seconden voordat ze, zoals hoofdinspecteur Siemons het beschrijft, “ingehaald worden door de slaap”.

Buiten staat de militaire brandweer van de luchthaven sinds zeven over zes te blussen. Men heeft twee bluswagens ingezet, het schuimkanon bovenop de ene werkt niet als gevolg van een storing. Twee ambulances zijn onderweg uit Eindhoven. De brandweerlieden weten niet dat er zoveel passagiers aan boord zijn, het is hun bij het alarm 'Crash Alpha' niet gemeld. De dienstdoende verkeersleider en de telefonist in de alarmcentrale spreken elkaar tegen over de melding die na de crash is gedaan.

De verkeersleider wist “door toevallige privé-informatie” dat er 25 leden van een fanfarekorps aan boord moesten zijn en zou dit bij de alarmering aan 06-11 hebben gemeld. De telefonist zegt van niets te weten. Als de verkeersleider kort na het alarm nog eens de vraag krijgt hoeveel mensen er aan boord zijn, zegt hij: “Ik weet het niet precies”, in de veronderstelling dat men zijn eerste melding van “ongeveer 25” wel heeft doorgekregen. Een trieste communicatie, zo betitelen de onderzoekers deze gang van zaken. Van deze gesprekken is geen bandopname gemaakt. Het blussen gaat intussen door.

Kijkend naar de verwoesting in de cockpit trekken de brandweerlieden de conclusie dat daar niemand levend uit kan komen. Om tien over zes al is de brand grotendeels onder controle: 90 procent 'knock down'. Dat zou volgens voorzitter ir. R. Taal van de onderzoekscommissie van Binnenlandse Zaken het moment zijn geweest waarop een poging had kunnen worden ondernomen het toestel binnen te gaan, of met behulp van de beschikbare apparatuur zoals een hydraulische spreider een deur van buitenaf te openen. Het toestel is immers te benaderen? Dat gebeurt niet. De brandweercommandant houdt een snelle inspectie. Niets te zien, zijn mensen krijgen de opdracht door te gaan met het blussen van de kleinere brandjes binnen en buiten het toestel.

De onderzoekers hebben aan de hand van de in- en uitwendige beschadigingen aan het toestel vastgesteld dat de temperatuur tijdens de brand op diverse plaatsen, onder meer bij de deuren, niet hoog is geweest. Daar zou volgens hen een reddingspoging succesvol kunnen zijn geweest. Om twaalf minuten over zes vraagt de brandweer van Eindhoven aan de meldkamer op het vliegveld of er assistentie nodig is, men staat zoals altijd klaar om uit te rukken. Het aanbod wordt afgeslagen. Drie minuten later wordt die hulp dan toch gevraagd. Om negentien over zes geeft de brandweercommandant van het vliegveld het sein 'brand meester'.

Pas negentien minuten later gaan enkele brandweerlieden het ruim binnen en zien daar de eerste slachtoffers. Tot dan is er volgens de onderzoekers geen enkele poging van buitenaf ondernomen “om slachtoffers te zoeken of te redden”. Wanneer duidelijk wordt hoeveel mensen er zich aan boord van het toestel bevinden “verandert de situatie totaal”. Dan wordt met hulp van de beschikbare apparatuur getracht de deuren te openen. Er komen meer ambulances, een traumateam met medisch specialisten wordt opgeroepen. Bij de rechterachterdeur moeten de reddingswerkers hun pogingen staken omdat, zo beschrijft het rapport “tegen deze deur te veel slachtoffers lagen”. Het lukt hun om een andere weg naar binnen te vinden. Medische hulp in het toestel is echter niet mogelijk: “de slachtoffers lagen daarvoor te veel in elkaar gestrengeld.”

In de minuten daarna worden toch nog negen overlevenden gevonden. Zwaargewond zoals de medici constateren “als gevolg van inhalatieletsel”. Hun longen zijn voor een groot deel verbrand. Twee van hen zijn in de afgelopen maanden in het ziekenhuis overleden. De uit het toestel gehaalde dodelijke slachtoffers hebben eveneens allemaal inwendig letsel dat is ontstaan nadat ze bewusteloos waren geraakt. “Elke seconde telt, zeker in een situatie als deze”, zeggen Taal en Siemons. Ze trekken hun conclusie, terug te vinden in het officiële rapport: “Bij het eerder op gang komen van de reddingsoperatie zouden minder slachtoffers zijn gevallen.” Minder zuurstofgebrek, minder gif in hun longen, in hun bloed.

Het is tijd voor burgemeester R.D. Welschen van Eindhoven om zijn excuses aan te bieden. Hij heeft twee dagen na de ramp verklaard dat een sneller op gang komen van de reddingsoperatie voor de slachtoffers geen verschil zou hebben gemaakt. “Ik ben er nu van overtuigd dat mijn stelling niet is te handhaven. Het is niet uit te sluiten dat er minder slachtoffers te betreuren waren geweest. Ik moet mijn excuses maken voor die verkeerde verklaring, als daar mensen onder hebben geleden.”

Dan deelt luchtmachtgeneraal B.A.C. Droste mee dat hij aan de vooravond van de openbaarmaking van het rapport een aantal harde maatregelen heeft genomen, na overleg met minister Voorhoeve en staatssecretaris Gmelich Meijling. De commandant van de vliegbasis en de dienstdoende chef van de (militaire) brandweer zijn uit hun functie gezet, alsmede de officier-verkeersleider die de bewuste avond alarm sloeg. “De standaard bij de luchtmacht ligt hoog”, zegt Droste.