Newyorkse punks over bands en bierpullen

Legs McNeil en Gillian McCain: Please Kill Me, The Uncensored Oral History of Punk. Grove Press, 424 blz., ƒ 52,50. Nederlandse vertaling verschijnt dit najaar bij Prometheus.

Ergens in 1975 gaf gitarist Richard Lloyd met zijn groep Television een concert in New York. Het waren de begindagen van de Amerikaanse punk-beweging. Lloyd en Richard Hell hadden kort geleden Television opgericht en traden nu op in de dankzij Andy Warhol en zijn 'superstars' al legendarisch geworden club Max's Kansas City. Richard Lloyd droeg een T-shirt van Richard Hell. 'Please Kill Me', had Hell er opgeschreven. Na afloop van het optreden werden de muzikanten omringd door fans. Ze keken Lloyd opgewonden aan en vroegen: “Meen je dat echt? Want als dat is wat je wil, dan doen we het graag. Wij zijn je fans!” Na die avond durfde Lloyd het T-shirt nooit meer aan.

Het onlangs verschenen Please Kill Me, The Uncensored Oral History of Punk van Legs McNeil en Gillian McCain, beschrijft de geschiedenis van de Amerikaanse punk-beweging. Aan de hand van honderden interviews met meer en minder bekende figuren uit voornamelijk New York en Detroit, brengen McNeil en McCain de opkomst en het verval van de Newyorkse punk-scene in beeld. De getuigenissen van groupies, managers, en muzikanten als Iggy Pop, Lou Reed, Patti Smith, Debbie Harry, Jerry Nolan en Johnny Thunders, van wie een aantal inmiddels is overleden, maken Please Kill Me tot een meeslepend document humain.

De gebeurtenissen worden eerlijk en onverbloemd beschreven. Niemand laat na het groteske seksuele gedrag van die tijd te memoreren, of het excessieve drugsgebruik. In de jaren zeventig gebruikte schijnbaar iedereen cocaïne, heroïne, wiet, acid, speed, valium of, als dat er allemaal niet was, lijm. Dat mensen die zoveel drugs achter de kiezen hebben nog zo gedetailleerd hun ervaringen kunnen navertellen, wekt wel enige verbazing.

In het historische geschil of punk in Engeland ontstond of in Amerika, scoort Please Kill Me een punt voor Amerika. Het boek begint bij de opkomst van The Velvet Underground, en situeert daarmee de oorsprong van punk al in het midden van de jaren zestig - vroeger dan Jon Savage de Engelse punk-scene liet beginnen in zijn England's Dreaming (1992). Maar eigenlijk maakt het na lezing van Please Kill Me niet meer uit wie het eerste was. Want als het boek één ding duidelijk maakt, is dat wel het verschil tussen de Engelse en de Amerikaanse punk, zowel muzikaal als ideologisch.

De Newyorkse punk-scene diende zich aan met de oprichting van The New York Dolls in 1972, door Johnny Thunders en David Johansen. The Dolls, die vrouwenkleding en make-up droegen op het podium, speelden een rudimentair soort rock 'n' roll, volgens het motto: 'Wat maakt het uit of je niet kan spelen, begin gewoon een band'. Op basis van dit principe richtten allerlei figuren met uiteenlopende achtergronden, in die jaren een groep op. David Johansen zelf was begonnen als acteur, Patti Smith was dichteres, Wayne County een extravagante travestiet, en de muzikanten van The Ramones waren straatschoffies.

De muzikanten kwamen uit Cleveland of uit The Bronx en trokken bij elkaar in in huizen op downtown-Manhattan. Ze gingen samen uit naar Max's Kansas City of CBGB's, en legden hun geld bijeen voor eten en drugs. De beweging kreeg een naam toen een paar fans een tijdschrift oprichtten. Legs McNeil, een van de auteurs van Please Kill Me, bedacht 'Punk' als titel. En omdat het blad zich vooral richtte op de nieuwe generatie Newyorkse bands, kregen ook zij de naam 'punk' te zijn.

De meeste muzikanten uit de Newyorkse punkscene waren midden twintig toen ze een band begonnen, of zoals Patti Smith en Debbie Harry, tegen de dertig. Daarin onderscheidde de Amerikaanse punk zich van de Engelse versie die een paar jaar later op gang kwam. Engelse punks waren jong en working class, en hadden een politieke boodschap. Zo maatschappelijk als The Sex Pistols, met hun Anarchy In The UK en God Save The Queen, waren de op zichzelf gerichte kunstenaar-muzikanten uit New York nooit geweest.

Ook muzikaal lagen de Engelse en de Amerikaanse punk ver uit elkaar. De muziek uit New York sloot meer aan bij reeds bestaande stromingen en werd in die tijd in Nederland dan ook 'New Wave' genoemd. De slogan-achtige stijl van de Engelse groepen brak echter rigoureus met het verleden. Die interpretatie van 'punk' stuiterde begin jaren tachtig pas terug naar Amerika, waar toen groepen opkwamen als de Dead Kennedy's en Black Flag.

Please Kill Me gaat helaas nauwelijks in op de muziek die ondertussen ook nog werd gemaakt. Dat Iggy Pop ondanks zijn leven in de goot, excessieve drugsgebruik en het overgeven op het podium juist in die tijd een paar fantastische platen maakte (The Idiot, Lust For Life) wordt niet vermeld. Het zwaartepunt van het boek ligt bij de personen. Dat Iggy en The Dolls veel aandacht krijgen, is vanzelfsprekend. Richard Hell telt vooral mee als 'mooie jongen'. Want als bassist stelde hij niet veel voor, zoals hij hier zelf toegeeft. Please Kill Me beperkt zich dan ook niet tot de muzikanten, het behandelt ook de mensen die om hen heen hingen. Zoals Conny, groupie en liefje van Dee Dee Ramone, die een rivale op het hoofd sloeg met een bierpul. Of Bebe Buell, in het register vermeld als 'moeder van actrice Liv Tyler', die rouleerde tussen onder anderen Todd Rundgren, Steve Tyler en Elvis Costello. Dankzij Please Kill Me wordt ook Terry Ork, de flamboyante manager van Television, aan de vergetelheid ontrukt. Ork vroeg op een avond aan Iggy Pop of hij hem mocht pijpen. Waarop Pop antwoordde: 'Nee, maar je mag wel zachtjes mijn buik likken'.