Muskens bestrijdt armoede met verkeerd middel

“De katholieke moraal heeft altijd duidelijk gemaakt dat, als je zo arm bent dat je niet meer kunt leven, je een brood mag weghalen uit de winkel”, zei bisschop Muskens van Breda in het VPRO-programma Veldpost. Aan armen moet een zekere marge worden toegekend als het om de naleving van de letter van de wet gaat.

Zowel de voorzitter van de vereniging van sociale diensten als verscheidene politici hebben nu de staf gebroken over deze uitspraak. Zij zien in de uitlatingen van de bisschop een aanmoediging tot zwart bijklussen en andere vormen van fraude.

De kritiek op de bisschoppelijke uitspraken is zich waarschijnlijk onvoldoende bewust van de bron waaruit de bisschop put. De katholieke moraal baseert zich op de bijbel, die nogal radicaal spreekt als het om armen en rijken gaat. De oudtestamentische regels waren erop gericht de verhoudingen binnen de samenleving niet al te scheef te laten groeien. Puissant rijk en straatarm was daarmee in beginsel onmogelijk.

Het scherpst komt dat tot uitdrukking in de bijbelse instelling van het zogeheten jubeljaar, dat één maal in de vijftig jaar moest worden gevierd. Dan moest alle grondbezit dat wegens tegenvallende oogsten of om andere reden verkocht was, weer terug naar de oorspronkelijke eigenaar. De prijs van de grond diende dan ook bepaald te worden door het aantal oogsten tot aan dat jubeljaar. Ook kwam iemand die zich wegens zijn armoede als slaaf had moeten verkopen, in dat jaar vrij. Een radicalere economische maatschappelijke herverdeling is nauwelijks denkbaar. Armoede was in deze constructie per definitie een tijdelijke zaak, niet iets dat van generatie op generatie kon voortduren.

Ook in de tijd tussen twee jubeljaren waren de regels ter bescherming van de arme tot in detail omschreven. Zo mocht men bijvoorbeeld nooit iemands huis binnengaan om een pand te nemen in het geval die persoon schulden had. Ook mocht je iemands mantel, die vaak ook als deken gebruikt werd, niet de nacht over als pand bij je houden. Waarschuwingen tegen de gevaren van rijkdom zijn ook legio. Als er armen zijn, dan wordt dat vaak op het conto geschreven van uitbuitende rijken. De liefde voor de naaste wordt rechtstreeks gekoppeld aan de liefde tot God. “Wie in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem?” (1 Joh.3,17) De bisschop spreekt dus geheel in de geest van oude en nieuwe testament als hij het opneemt voor de armen.

Mogelijk heeft de bisschop zelfs een heel concrete bijbeltekst in gedachten gehad, toen hij zich op het standpunt stelde dat een arme in geval van honger brood mag stelen, namelijk een woord uit de Spreuken die op naam van de wijze koning Salomo zijn verzameld. “Men veracht een dief niet, als hij enkel steelt om zijn maag te vullen, als hij honger heeft.” (Spreuken 6:30). Het pikante is alleen dat daaraan in één adem een uiterst praktische zinsnede wordt toegevoegd, die direct een grens stelt aan dit begrip voor wetsovertreding en die de maatschappelijke orde beschermt: “Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden en alles geven wat hij in huis heeft.” Wanneer een dief thuis nog het nodige had staan en er kennelijk geen sprake was van totale armoede, dan moest hij alsnog voor zijn diefstal boeten.

Bisschop Muskens verdient sympathie voor zijn uitspraken. Hij kiest principieel voor de onderliggende partij. Maar of zijn woorden binnen de huidige maatschappelijke verhoudingen zo maar van toepassing kunnen zijn, is voor discussie vatbaar. Een kerkelijk sanctionering van diefstal is een verkeerd middel om het kwaad van de armoede te bestrijden.