Michiel Adriaenszoon de Ruyter (1607-1676); Bestevaer blijft braaf

Ronald Prud'homme van Reine: Rechterhand van Nederland. Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Arbeiderspers, 406 blz., ƒ 65,-

De zeventiende eeuw kent geen laf- aards, oorlogsmisdadigers of mislukkelingen. Het is een eeuw van louter rechtvaardige oorlogen, van ongehoorde dadendrang en zeker ook van kunstenaars en helden. In laatstgenoemde categorie nemen zeehelden een bijzondere plaats in. Deze verering voor ons Gouden verleden werd ingezet in de tweede helft van de negentiendee eeuw en is sindsdien vast geworteld.

In de afdeling Nederlandse geschiedenis van het Rijksmuseum sluiten twee zalen daar op aan. In de 'Zeeheldenzaal' kijken onze zeventiende-eeuwse admiraals met hun echtgenoten de bezoekers hooghartig aan, de aansluitende zaal wordt gedomineerd door een indrukwekkend deel van de achterspiegel van het Engelse oorlogschip de 'Royal Charles', een trofee van de tocht naar Chatham in juni 1667.

Alom aanwezig in deze zalen is Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Op een prachtig schilderij van Jurriaen Jacobson uit 1667 staat hij afgebeeld met zijn vrouw Anna van Gelder, zijn kinderen, schoonzoon en kleinkind. Hij staat daar niet zozeer als een zegevierend admiraal maar als een maatschappelijk geslaagd burger die de kijker zijn zegeningen toont. En met recht. Begonnen als touwslagersknecht in Vlissingen, klom hij op tot het hoogste ambt in de marine.

Geboren in 1607 in een eenvoudig gezin werkte hij zich op tot stuurman op een walvisvaarder, kaperkapitein en schipper voor eigen rekening. Hij bleek een goed zeeman en succesvol koopman. Juist op het moment dat hij er over dacht op 47-jarige leeftijd het varen er aan te geven en op de wal een rustig renteniersbestaan te gaan leiden, volgde zijn overstap naar 's lands marine. Daar maakte hij snel carrière en fortuin. Totdat in 1676 in het zicht van de vulkaan Etna het ongeluk toesloeg en een Franse kanonskogel hem dodelijk verwondde. Na een kortstondig ziekbed overleed hij op 69-jarige leeftijd. Een mooi einde voor een vlootvoogd.

Kort na zijn dood verscheen een uitvoerige biografie over De Ruyter van de hand van de Amsterdamse dichter, dominee en schrijver Gerard Brandt. Opdrachtgever was de zoon van De Ruyter, Engel, die een papieren monument voor zijn vader wilde oprichten. Brandt kweet zich uitstekend van deze taak en zijn Leven en bedrijf van den Heere Michiel de Ruyter (1687), beleefde vier drukken. Het boek zette de toon voor de waardering van De Ruyter in de volgende eeuwen. Weinigen waagden zich aan een verbetering totdat in 1928 P.J.Blok een door velen als minder geslaagd beschouwde studie over De Ruyter publiceerde. Niet dat er daarvoor of erna niets verscheen, het tegendeel is waar. Die werken leidden wel tot een grote bekendheid van De Ruyter onder een breed publiek, echter niet tot vernieuwende inzichten. Vooral voor jeudboekenschrijvers vormden de avonturen van deze gelovige en rechtschapen zeeheld een graaggekozen onderwerp. In de tweede helft van de negentiende en de eerste decennia van deze eeuw bereikte De Ruyters populariteit een hoogte die de toch niet geringe Rembrandt-cultus zelfs overtrof.

Daarna werd het stiller rond de figuur van de 'Bestevaer'. Na Brandt en Blok is de historicus Ronald Prud'homme van Reine nu de derde serieuze biograaf van De Ruyter. De auteur is vertrouwd met het schrijven van biografieën. Eerder schreef hij een monumentale biografie over de laat achttiende-eeuwse admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen die zelf overigens een groot bewonderaar en promotor van De Ruyter was. Dit boek van Prud'homme laat zich vlot lezen en de auteur laat zich gelukkig niet verleiden tot te veel aanhalingen van authentieke tekstgedeelten, een euvel dat veel biografieën onleesbaar maakt. Verleidelijk is het in dit geval wel want De Ruyter hanteert regelmatig de voor het Zeeuwse dialekt zo karakteristieke 'h' waardoor hij in zijn scheepsjournalen veelvuldig melding maakt van 'heilanden' en 'hijsbergen'.

Het schrijven van biografieën is in Nederland nog steeds een weinig beoefend métier, hoewel daarin een zekere kentering valt te bespeuren. Dat is toe te juichen want het is opmerkelijk hoe weinig behoorlijke biografieën er bestaan van bekende historische figuren uit de Nederlandse geschiedenis. De meeste dateren uit de tweede helft van de negentiende eeuw of zijn bewerkingen daarvan. Zo verscheen in de jaren dertig en veertig bij de uitgeverijen Van Kampen en Leopold een serie biografieën van zeehelden waaronder een van C. van Wessem gewijd aan De Ruyter. De afgelopen vijftig jaar is de toegankelijkheid van het archiefmateriaal in binnen- en buitenland zodanig verbeterd, dat een reeks nieuwe studies gerechtvaardigd is.

Het boek van Prud'homme van Reine is weliswaar een biografie van De Ruyter, maar vooral ook een beschrijving van gebeurtenissen waarbij De Ruyter aanwezig was en van zijn daden. Daardoor blijft de persoon van De Ruyter wat schimmig. Voor een deel is dat te wijten aan het feit dat de auteur naar mijn smaak te weinig vraagtekens plaatst bij De Ruyters beweegredenen, te weinig probeert zijn doen en laten te doorgronden. Misschien laat het beschikbare bronnenmateriaal dat niet toe maar het gevolg is wel dat, ondanks alle avonturen die menig jongensboek tot spannende jeugdlectuur maken, De Ruyter zelf een beetje de saaie brave borst blijft waarvoor hij toch al werd versleten: het braafste (maar ook het beste) jongetje van de klas. De biografie van Prud'homme van Reine neemt die indruk niet weg. De Ruyter mag dan met Nelson doorgaan voor de meest prominente admiraal die ooit de zeeën heeft bevaren, wat betreft uitstraling wint de flamboyante Nelson het toch gemakkelijk. Geen Lady Hamilton in de Ruyters bestaan. Daarin zou De Ruyter wel eens een typische representant van het Nederlandse heldendom kunnen zijn. Je mag je onderscheiden, als je er maar niet mee te koop loopt.

Zonder meer interessant is echter de briefwisseling met Johan de Wit met wie De Ruyter zeven jaar correspondeerde. Dat contact met de Hollandse raadpensionaris begon zakelijk maar ontwikkelde zich via wederzijds respect tot een warme vriendschap. Ook als in 1672 de positie van De Wit wankelt, blijft De Ruyter hem openlijk steunen. Maar als hij hoort van de moord op de gebroeders, laat hij zich er in zijn scheepsjournaal verbazingwekkend emotieloos en genuanceerd uit. Op het eerste gezicht bevestigt dat zijn saaie braafheid. Maar die indruk is niet terecht. Zijn officiële bewoordingen in het scheepsjournaal werden ingegeven door voorzichtigheid. Uit andere bron is bekend dat het verlies hem hevig aangreep.

De Ruyter wordt altijd afgeschilderd als een persoon met weinig Orangistische sympathieën. Dat is opmerkelijk omdat Zeeland per definitie voor sterk pro-Oranje doorging en datzelfde gold in nog sterkere mate voor de marine. Zijn prestige was kennelijk zo groot dat dit noch tijdens zijn leven noch daarna in de negentiende-eeuwse geschiedschrijving zijn populariteit ernstig heeft aangetast. Prud'homme heeft waarschijnlijk gelijk als hij stelt dat De Ruyter niet zozeer anti-Oranje was als wel een echte dienaar van de Staat. Door zich zo op te stellen kwam hij, daar waar Oranje de staat dreigde te usurperen, automatisch in het pro-Staatse kamp terecht. Zijn sympathie voor Johan de Wit, die voor iedereen duidelijk zichtbaar wederkerig was, zal zeker aan zijn Oranje-vijandige imago hebben bijgedragen.

De warme gevoelens van de auteur voor zijn hoofdpersoon zijn onverholen. De falikant mislukte expeditie in 1674 naar het caraïbische eiland Martinique om daar de Fransen een slag toe te brengenwas zijns inziens te wijten aan slecht geleide soldaten en onvoldoende uitgeruste schepen en niet aan de bevelhebber. Echt overtuigend is hij daar niet. Cornelis Tromp, de tegenvoeter van De Ruyter, blijft de opvliegende Oranjeklant die voortdurend op De Ruyters positie uit is. Prud'homme vraagt zich niet af of die gevoelens van Tromp misschien niet ook terecht zouden kunnen zijn. De Ruyter is dan 68 jaar. Had hij zichzelf niet een beetje overleefd? Een oude man, die niet van ophouden weet? Nee, '(...) de oude Bestevaer wordt weinig rust gegund'. Als de Engelse koning Karel II beide heren uitnodigt aan zijn hof, weigert de bescheiden De Ruyter, wars van dergelijk uiterlijk vertoon, gedecideerd. De ijdele Tromp daarentegen accepteert wel, '(...) zwelgend van trots beleefde hij de mooiste dagen van zijn leven'. Daarmee is niet gezegd dat de biograaf kritiekloos is. Zo stelt hij vast dat De Ruyter op het gebied van de taktiek en het seinwezen weinig nieuws gebracht heeft. Het in kiellinie varen, een taktiek die in de Engelse oorlogen algemeen werd toegepast, wordt vaak aan De Ruyter toegeschreven. Deze strijdwijze was reeds eerder in zwang gekomen, maar werd door veel oefening onder De Ruyter geperfectioneerd. De standaardisering van de oorlogschepen zal daar zeker ook aan hebben bijgedragen.

En zo verandert dit boek het gevestigde beeld van De Ruyter, het beeld van de vrome en toegewijde zeeheld, niet wezenlijk. Is het misschien het enige juiste beeld?