Levende penselen van het niet-zijn

Helen Westgeest: Zen in the fifties. Interaction in art between east and west. Waanders, 264 blz., ƒ 49,50

'Zen in the fifties, wisselwerking in de beeldende kunst tussen Oost en West' in het Cobra-museum in Amstelveen. Tot 20 oktober. Geopend di.- zo. 11-17 uur. Lezingen op 5 en 12 oktober in het museum, aanvang 14.30 uur.

Wie mocht denken dat action painting - zoals smijten of laten druppelen van verf op het doek, het schilderen met handen en voeten, of het maken van afdrukken van met verf bedekte naaktmodellen - een uitvinding is van de moderne westerse kunst, heeft het mis. Al in de vijftiende eeuw vervaardigde de Japanse schilder Sesshu 'Landschappen in gespatte inkt'; de beroemde negentiende-eeuwse schilder en meester van de Japanse houtsnijkunst Hokusai (1760-1849) gebruikte kippen als 'levende penselen' door ze met in rode verf gedompelde poten over een blad papier te laten lopen; en Nantembo (1839-1925) schreef in zijn autobiografie dat de schilder zelf, met zijn hele lichaam, de verfkwast is.

Sesshu, Hokusai en Nantembo zijn beroemde vertegenwoordigers van Sumi-e. Sumi-e ('inktschildering') is een Japanse Zen-stijl die ontstond in de veertiende eeuw en die tot op de dag van vandaag beoefend wordt. De kalligrafische pendant van deze stijl, met een nadruk op de schriftuur, is Shodo. Sumi-e is een expressieve, emotionele manier van schilderen. Voor de Sumi-e-rollen werden fraaie zijden stoffen gebruikt, effen, in verschillende gedempte kleurcombinaties, of met ingeweven bloempatronen. Een onderscheid tussen 'verheven' en alledaagse onderwerpen bestaat bij Sumi-e niet. Een afgetrapte schoen of een 'Omhoog zwemmende aal' bezit hier evenveel waardigheid en zeggingskracht als een portret van de in zichzelf gekeerde Bodhidharma of een afbeelding van een Zen-cirkel. Zen verenigt het religieuze en het wereldse. Daarom zijn alledaagse bezigheden als schrijven en theedrinken even belangrijk als het vervaardigen van kunst.

De kunsthistoricus Helen Westgeest promoveerde onlangs aan de Leidse universiteit op een proefschrift over Zenkunst in de jaren vijftig. Elk handelen, legt ze uit, is volgens Zen gericht op het hier en nu. De leidraad voor het handelen is de intuïtie, en een gevoel van eenheid met de natuur. Inzicht kan volgens Zen niet worden verkregen door logisch, rationeel denken. Daarom wordt Sumi-e snel, zonder bewuste overwegingen en zonder herhalingen uitgevoerd. Een penseelstreek moet kloppen van leven, alsof het de geest zelf is die over het papier beweegt. Correcties zijn uit den boze, want een correctie betekent de dood van de lijn of verfstreek. Sumi-e beoogt geen afbeelding van de werkelijkheid te zijn. Daarom zijn chiaroscuro en perspectief afwezig, evenals kleur, want die herinnert ons aan natuurlijke objecten. Sumi-e is geen representatie; het is de directe neerslag van een meditatie-ervaring.

In Europa en Amerika stond in de jaren veertig en vijftig de schilderkunst grotendeels in het teken van de directe expressie van emoties. Deze schilderkunst kent verschillende richtingen en benamingen, zoals Action painting, Abstract Expressionime en Art Informel. Tot dusverre is in de kunstgeschiedschrijving dit expressieve schilderen hoofdzakelijk verklaard vanuit de psycho-analyse en het onderbewuste. Het surrealisme was hierin met zijn écriture automatique voorgegaan. Door het denken zoveel mogelijk uit te schakelen en de hand blindelings, 'automatisch', over het papier te laten bewegen, zou de kunstenaar toegang krijgen tot de schat aan beelden (zowel persoonlijke als archetypische beelden) die verborgen zouden liggen in het onderbewuste.

Het is de grote verdienste van het boek van Helen Westgeest dat zij aantoont dat Freud en het surrealisme niet de enige bron zijn geweest van het abstract-expressionistische schilderen. Het belangijkste verschil tussen Zen en het psycho-analytische denken is volgens haar dat, waar Freud zijn patiënten onafhankelijk wil maken van hun (onverwerkte) verleden door zich erin te verdiepen en het te verwoorden, de Zenmeester zijn leerlingen juist het nadenken over het verleden en verbale concepten afleert.

Westgeest selecteerde voor haar onderzoek een aantal kunstenaars die probeerden een Zenkunst te ontwikkelen, zoals John Cage, Mark Tobey, Ad Reinhardt en Yves Klein. Van hen was dit al bekend, maar in het geval van Reinhardt en Klein waren die invloeden nog niet expliciet benoemd. Minder beroemde voorbeelden zijn de Fransman Jean Degottex en de Duitsers Willi Baumeister en Rupprecht Geiger. Ook verdiepte Westgeest zich in Japanse kunstenaars die door Zen beïnvloed zouden zijn, zoals de leden van de 'Gutaigroep', die met hun performances vooral in de jaren zestig in het Westen bekendheid kregen. Daarnaast, aldus Westgeest, zijn er velen die 'inherent' door Zen waren beïnvloed. Zij definieerde een aantal aspecten die zij als typisch Zen beschouwt, en toetste hieraan het werk van de betreffende schilders. Die aspecten zijn: leegheid en nietigheid, dynamiek, de oneindige en omgevende ruimte, de directe ervaring van het moment, en non-dualisme en universaliteit.

Het proefschrift van Westgeest is helder en met vaart geschreven. Het is alleen een omissie dat zij, afgezien van zeven regels in een appendix over de 'Zengroep Nederland' die in 1960 werd opgericht, geen aandacht besteedt aan de Nederlandse kunst in de jaren vijftig. Bram Bogart, Jaap Wagemaker (die zijn schilderen omschreef als 'een zoeken naar stilte') en vooral Willem Hussem hadden niet mogen ontbreken; de laatste twee worden zelfs niet genoemd. Ook ontbreekt Yayoi Kusama. Zij schilderde in de jaren vijftig, toen zij nog in Japan woonde, wat zij noemde 'Infinity Nets'. Ten slotte is het jaartal 1960 als afsluiting van het onderzoek tamelijk willekeurig. Zo komt de schrijfster er niet aan toe de benaming 'Zero', die zoals zij vermeldt, begin jaren vijftig in Japan werd gebruikt door de voorlopers van Gutai, in verband te brengen met de Europese Zerogroep die eind jaren vijftig werd opgericht. Ook blijft de hele internationale beweging van de Nieuwe Tendenzen en van de 'Konkrete Kunst' (eind jaren vijftig) buiten beschouwing. Westgeest heeft met haar boek een belangrijke nieuwe invalshoek ontdekt en pionierswerk verricht. Nu is het wachten op de verdere uitwerking van haar onderzoek.

Over de oosterse èn westerse Zenkunst die zij in haar boek bespreekt, organiseerde Westgeest een tentoonstelling in het Cobramuseum in Amstelveen. Hier zijn schilderijen uit de jaren vijftig te zien van Japanse, Amerikaanse, Duitse, Franse en Nederlandse kunstenaars, met Japanse inktschilderingen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Er zijn prachtige exemplaren te zien. Een dikke oude os rust tevreden uit, het zware lichaam in een enkele penseelstreek weergegeven, de oren alert omhoog. Boven de os staan Japanse karakters geschreven. Een vuurspuwende draak vormt een wildslingerende arabeske op het lege, langwerpige vlak. Een 'Parel' is een met een enkele snelle beweging getekende zwarte cirkel op een bruin fond.

Het niveau van de geëxposeerde werken wisselt sterk. De moderne kunstenaars bereiken nergens de mate van vrijheid en levendigheid die de oude Sumi-e-rollen zo aantrekkelijk maakt. Ook de humor en de liefde voor het alledaagse zijn uit het moderne werk verdwenen. De monochromen van Klein en Reinhardt, en de speelse muzieknotaties van Cage vormen een categorie apart; deze kunstenaars hebben een geheel eigen uitdrukkingsvorm gevonden, die overeenstemt met de Zenfilosofie. Maar de overige schilderkunst doet, op een enkele uitzondering na, krampachtig en programmatisch aan. 'De leegte van het niet-zijn' van Degottex, waarin een enkele penseelstreek zweeft, is inderdaad volkomen leeg en doods. Het 'dynamische gebaar' van Karl Otto Götz is theatraal en pathetisch. Verheven, al te metafysisch en daardoor bloedeloos is het werk van deze Zen-adepten. Die vereniging van het religieuze en het wereldse die typisch is voor Zen, is hier niet aanwezig.