Klagend door het oerwoud; Afrikaanse ontberingen van Redmond O'Hanlon

Redmond O'Hanlon: Congo. Vertaald door Tinke Davids. Atlas

562 blz., ƒ 49,90

Op een van de eerste pagina's van Congo citeert Redmond O'Hanlon Marcellin Agnagna, 'een van de vooraanstaande biologen van Congo' en 'algemeen directeur van het departement voor Flora- en Faunabeheer' over een zonderling, wel vijf meter lang dier dat hij heeft waargenomen in Lac Télé, in het noorden van de Volksrepubliek Congo. Het heeft 'een brede rug, een lange nek en een kleine kop'. Deze waarneming zou het wetenschappelijk bewijs moeten vormen voor het bestaan van ten minste één dinosaurus in dit diepste van diep Afrika, een monster dat door de bewoners van de streek 'Mokélé-Mbembe' wordt genoemd. Helaas ontbrak verdere wetenschappelijke onderbouwing van deze waarneming want, zo voegde Marcellin Agnagna aan zijn beschrijving toe, 'door de emotie en de schrik van deze plotselinge, onverwachte gebeurtenis was het de auteur onmogelijk het dier te filmen met een Minolta XL-42-filmcamera'.

Vijfhonderd pagina's en een wekenlange jungle-tocht vol ontberingen verder, bevestigt een van O'Hanlons dragers hem aan de oever van het meer wat de Britse reisschrijver allang vermoedde. 'Mokélé-Mbembe is geen dier als een gorilla of een python(...) Het verschijnt niet aan mensen(...) Het bestaat omdat het in onze verbeelding leeft. Maar zien, nooit. Je ziet het niet.' Marcellin, de 'vooraanstaande bioloog' die door O'Hanlon is betaald om de expeditie te leiden, heeft zich dan al verongelijkt in zijn tent teruggetrokken, klagend over koorts en blanke eigenwijsheid.

Omdat ook de lezer al vanaf het begin weinig illusies mag koesteren over het bestaan van het monster, is de speurtocht naar Mokélé-Mbembe slechts een vehikel voor O'Hanlons verhaal. Een verhaal dat gaat over de cultus van fetisjen en tovenarij in dat deel van Afrika, over de machtsverhoudingen tussen oude tovenaars, oude stamhoofden en nieuwe marxistische ambtenaren, over de oervormen van het leven, over de zingeving aan natuurkrachten en ook, meer nog dan in vorige boeken, over Redmond O'Hanlon zelf. We volgen de auteur in al zijn kwetsbaarheid en balancerend tussen berusting en vrolijkheid, turend naar meerkatten, krokodillen, pythons, moerasantilopen, constant smeergeld en medicijnen uitdelend en ten slotte moedertje spelend voor een verweesde en hem onderpoepende baby-gorilla.

Dat levert prachtige pagina's op en een gevoel van avontuur dat de lezer doet heenstappen over bezwaren die andere schrijvers funest zouden zijn. De angst slaat je al lezend om het hart bij de letterlijk in de kleinste hoekjes schuilende gevaren, waarvan de zo onschuldig ogende bedwantsen, waarschijnlijke overbrengers van het HIV-virus, misschien wel de meest bangmakende zijn. Toch weet O'Hanlon uiterst suggestief de grootste angst bij zijn lezers op te roepen. Bij bijvoorbeeld wanneer hij in Boha, aan de oevers van Lac Télé, na weken van expeditie, van luisteren naar het oerwoud en het getrommel van de Bantoes en naar de kreten waarmee ze hun geesten aanspreken, zelf geleidelijk afscheid van de rede moet nemen. En wanneer hij ten prooi raakt aan visioenen en zich als in een koortsdroom verliest in herinneringen aan zijn overleden vriend Bruce Chatwin, in fantasieën over de negentiende-eeuwse Nederlandse goeverneur Pel, wiens domicilie hij situeert ten huize van zijn eigen twintigste-eeuwse Nederlandse uitgever, en in manisch gebabbel tegen zijn baby-gorilla. Vooral die laatste pagina's zijn mooi, omdat ze en passant de totale eenzaamheid zo mooi illustreren.

Congo bestaat uit drie boeken, die achtereenvolgens de voorbereidingen op de expeditie, de tocht naar het pygmeeëngebied en ten slotte de van onheilsprofetieen bezwangerde reis naar Lac Télé beschrijven. In de eerste twee delen is de Amerikaan Lary Shaffer zijn reisgezel, maar diens visioenen van BLT-sandwiches worden ondraaglijk en volgens plan neemt hij afscheid alvorens het monster waargenomen kan worden.

Fraai beschreven in het derde deel is de ontwikkeling van de verhouding tussen de auteur en Marcellin, de wat tragische, in Havana geschoolde wetenschapper wiens kantoor als enige literatuur twee exemplaren van de Journal of Cryptozoology bevat en die droomt van een carrière in Oxford. Naarmate de vraagtekens achter zijn waarneming van het monster groter worden, wordt ook zijn venijn groter en zijn agressie tegen alles wat blank en westers is.

Hoewel O'Hanlon hem blijft voorhouden dat hij zelf geen christen is ('Geloof, dat wil zeggen: afscheid nemen van rede en wetenschap. Als je gelovig wordt, slaan de stoppen door, je wordt getikt, je wordt bewust achterlijk') kiest Marcellin steeds nadrukkelijker voor de aanval. 'Jij denkt dat jullie een volk van de rede zijn, van de wetenschap, dat het daglicht aan de blanke toebehoort en de nacht aan de Afrikaan. En ik geef toe, jullie maken auto's en buitenboordmotoren en vliegtuigen, en wij niet. Maar hoe zit het met jullie drie goden in één, jullie grote heilige geest (...)? En met jullie slechte beest, met poten als een geit en een lange staart die aan het uiteinde in tweeën gesplitst is? Vertel me eens: waarom moet er gespot worden met de Afrikanen?'

Terwijl O'Hanlon al eerder, mijmerend in het oerwoud, die discussie voor zichzelf had afgesloten: 'Het christendom had geen antwoord op de eenvoudigste vragen: waarom liet een god die iedereen liefhad en alles geschapen had (...)je kind sterven? (...) Als je echt in fetisjisme geloofde, ja dan moest dat. Lijden was geen verrassing; kinderen zouden altijd sterven, want de goden hebben nu eenmaal niemand anders lief dan zichzelf. Het beste dat je in het leven kunt doen, is eenvoudigweg proberen jezelf te beschermen, ze dingen te schenken, ze af te kopen, ze te mijden waar het maar mogelijk was.'

Congo heeft overeenkomsten met O'Hanlons beide vorige reisverslagen (de oerwoud-ontberingen, de reisgezellen die afhaken, het vanzelfsprekende doorzettingsvermogen van de auteur en de momenten waar dat plaatsmaakt voor geamuseerde distantie) maar het is duisterder, dieper en uiteindelijk indrukwekkender dan die beide vorige boeken. Het is het voorlopige hoogtepunt van een bijzonder oeuvre, van een schrijver die enig is in zijn soort, de representant van een bijna uitgestorven ras.