Kale roman van Leo Pleysier; Bodemdeskundige in de lucht

Leo Pleysier: Zwart van het volk. De Bezige Bij, 141 blz., ƒ 27,50

Wie rekent op een waterval aan scheutig en rondborstig Vlaams komt deze keer bedrogen uit - in Zwart van het volk houdt Leo Pleysier het bij een zuinig soort hoognederlands. Korte, kale zinnen schrijft hij, meestal niet meer dan een woord of acht, en stromen doen die woorden nooit. Hij somt iets op, hij stelt iets vast. Hij registreert de feiten, maar van harte gaat het blijkbaar niet. Een werkwoord blijkt soms al te veel gevraagd, je moet het zonder maar begrijpen, en zo af en toe laat hij de zin maar helemaal onafgemaakt. Je denkt dat er nog iets gaat komen, het belangrijkste misschien zelfs wel, maar alles wat er komt is een punt. Een punt en stilte.

Wat is dat voor een ongemak? Het is alsof de zinnen iets willen zeggen wat zich niet wil laten zeggen en uiteindelijk maar hopen dat de lezer wel te hulp zal komen. Wachtend kijken ze je aan: geef mij een werkwoord mee, zet mij een beetje in beweging. Vul de echo na mijn punt. Voltooi mij.

Welaan dan maar. Zwart van het volk doet het verhaal van een naamloze Vlaming, tegen de veertig, die op London Heathrow een vliegtuig neemt naar Nigeria. Hij werkt daar sinds een jaar of tien als bodemdeskundige bij de wereldvoedselorganisatie FAO, diep in de binnenlanden, en hij heeft er in die jaren een volwassen leven opgebouwd. Als hij straks thuiskomt, denkt hij vergenoegd, wordt hij verwacht door zijn vrouw Linda, een inlandse, en hun beide zoontjes. In gedachten loopt hij het leven door dat hem zo ver van huis gebracht heeft, kindertijd en studie, ouders en ambities, een wirwar aan flashbacks, om pas weer op aarde terug te keren als ook zijn DC10 dat doet, zo'n honderddertig bladzijden later.

Het is een mise-en-scène die je bij Pleysier niet zou verwachten, zijn figuren komen nooit veel verder dan de Vlaamse Kempen. Net als hijzelf, niet toevallig, zijn het van geboorte dorpse jongens, opgegroeid met gras en land en sappige gewesttaal, een horizon die niet veel verder reikte dan hun oog. Ze hebben zich van dat verleden losgemaakt en kijken erop terug met een mengeling van schaamte en vertedering. Maar los laat het ze nooit, want in het algemeen beschaafde leven dat ze zijn gaan leiden voelen ze zich altijd nog een buitenbeentje. Vreemd geworden aan het oude zijn ze vreemd gebleven aan het nieuwe, ze bewegen zich door een niemandsland.

Toch blijkt dat thema ook in Zwart van het volk weer de crux van het verhaal te zijn. De reden dat de man in deze DC10 zit is het overlijden van zijn moeder, nu een maand of twee geleden. Het bericht stond op zijn fax toen hij thuiskwam van een werkreis. Hij had niet meteen begrepen wat er aan de hand was, want de tekst was niet te lezen, maar ook toen hij naar zijn broer gebeld had was hij niet bijzonder vlot geweest. Hij had een borrel ingeschonken en gewacht. Een maand, om precies te zijn, en dat is wat hem in het vliegtuig terug nu aan het denken zet: dat uitstel, het besluit daarna om toch te gaan, het pasgedolven graf. Zijn hele leven als Verloren Zoon.

Ook in zijn huidige bestaan blijkt hij zich intussen nog steeds een buitenbeentje te voelen. Hoe gelukkig hij ook zegt te zijn dat hij weer naar huis kan, Linda is per slot een 'lieve echtgenote' en een 'goede moeder voor de kinderen', tegen het einde van de reis lijkt hij toch niet zo zeker of haar leven wel het zijne is, en omgekeerd. Ze heeft zich aangesloten bij een born again-gemeenschap, met zang en dans en trance en al, een christelijke variant op inlandse gebruiken, en daar heeft hij wel eens moeite mee. Hij 'laat haar maar doen', zegt hij verdraagzaam, maar dan is wel duidelijk dat hij zich moederziel alleen moet voelen, daar in zijn nieuwe vaderland. Hij heeft zich met zijn emigratie onbedoeld het leven uitgemanoeuvreerd, misschien wel meer dan enig eerder personage van Pleysier. Hij past bij niets meer.

Pleysier versterkt die indruk door hem elk woord over zijn motieven te ontzeggen. Waarom hij destijds uit België vertrokken is, waarom hij zelfs een heel nieuw continent heeft opgezocht, waarom hij nu toch teruggegaan is en waarom hij daar een maand over geaarzeld heeft, het wordt je niet verteld. Wat je te weten komt zijn feiten, buitenkanten, waarnemingen. Je leert hem kennen uit de dingen die hij ziet en zegt, hijzelf blijft buiten beeld, een leemte in het hart van de roman.

Het is een stijlvorm die aan Wit is altijd schoon doet denken, de roman waarmee Pleysier in 1989 doorbrak. Ook daar ontdek je de contouren van een man in de spiegeling van zijn woorden, en ook daar is het zijn dode moeder die de aanzet geeft. (Sterker nog, ook daar is er een zoon in Nigeria, getrouwd met een Linda, maar daar is het een broer van de man.) Hij roept haar in gedachten terug om het ontembare gebabbel aan te horen dat hij bij haar leven niet van haar verdroeg. Maar er is één verschil. Die moeder stond voor een traditie, een cultuur, een leven dat zijn eigen adem had. Die adem is in Zwart van het volk verdwenen, moeders graf blijft stom, de man ziet ook die laatste toegang tot zijn oude leven afgesloten. En wat blijft hem dan nog over?

Misschien is dat wel wat Pleysier met zijn onttakelde taal wil laten zien. Opsommingen, feiten, buitenkant - er is alleen nog buitenkant voor deze man, hij komt het leven niet meer binnen. Hij kan weinig meer doen dan benoemen wat hij ziet, als op een foto, in de hoop dat uit de gaten in zijn taal iets levenders te voorschijn komt. Hijzelf, bij voorkeur. Waar de woorden ophouden, daar begint zijn leven pas - en daar begint dus eigenlijk dit boek pas, boven zijn hoofd. Dat moet de onuitgesproken reden zijn waarom de taal zo aan je trekt, in de roman: de lezer moet hem leven geven.

Dat is nogal een missie, zwaar van moraal, en ik kan niet zeggen dat ik die geheel heb volbracht. Pleysier noemt op wat in het blikveld van de held verschijnt, daar in die DC10, van sinaasappelsap en kussentjes tot krantenieuws en dreinerige baby's. Hij beschrijft vooral ook hoe het toegaat op een Nigeriaanse campus van ontwikkelingswerkers, de verhoudingen tussen blank en zwart, de armoe op de achtergrond, de onderdrukking, de lijken langs de weg. Maar al met al krijg je daardoor een scherper beeld van het decor van de roman dan van het onderwerp. Het wordt een beetje een NOVIB-boek.

Waar Pleysier uiteindelijk naar toe wil komt nog het best tot uitdrukking in een beeldspraak die hij door het hele boek heen gebruikt. De bodemdeskundologie van de man blijkt niet zomaar een vak, het is een opdracht voor het leven. In zijn werk probeert hij de verdorde Afrikaanse bodem, die de mest niet goed weet vast te houden, vruchtbaar te maken. Aan zijn moeders groeve stelt hij zich de omgewoelde grond voor als een groentebedje, klaar om ingezaaid te worden. In een vrijpartij met Linda denkt hij aan een grondboor die hij 'diep in de teeltlaag' van de aarde schroeft. Wat hij ook doet, hij zoekt een groeizame bodem voor het leven. Zijn leven. Hij wil wortelen, als het ware, en Pleysier brengt hem ten slotte tot het onvermijdelijke inzicht dat hem dat niet zal gaan lukken. De eigen plek die hij zoekt is niet boven de grond, maar hoogstens nog eronder. Een plek niet als bemester, met een omkering van de beeldspraak, maar als mest.

Het is een dramatische omslag, even cru als onontkoombaar, en toch blijft het in Zwart van het volk een beetje een papieren oefening. Hoe rouw je om een man die in je hoofd zo weinig leven heeft gekregen? De dood zit niet alleen in hem, ben ik bang, de dood zit in de taal van dit boek.

Citaat:

En met héél grote tussenpozen een brief van zijn moeder die erdoor kwam. Hij had met haar afgesproken dat ze hun brieven van een volgnummer zouden voorzien. Al spoedig bleek daaruit dat zowat de helft van die correspondentie onderweg verloren ging.

De nieuwtjes van de familie. Wie binnenkort gingen trouwen. Wie er nu weer dood en begraven was in het dorp. Dat hij vooral goed op zijn gezondheid moest letten. Dat hij moest uitkijken met wat hij at ginder. En op tijd de dokter raadplegen als er iets niet in orde was. Altijd opnieuw dezelfde bezorgdheden die ze formuleerde en herhaalde. Het was met een mengeling van ontroering en ergernis dat hij haar brieven las.