Joden en moslims strijden voor hun God in Hebron

HEBRON, 4 OKT. Geen land ter wereld bevat meer heiligheid per vierkante kilometer dan het gebied dat de joden het Land Israels en de moslims Palestina noemen. Want hier maakten God en Zijn Profeten zich in diverse gedaanten kenbaar. En nergens in dit Heilige Land wordt de strijd vóór de ene en tegen de andere God zó intensief gevoerd als in Hebron - in de Bijbel ook wel Kiryat Arba genoemd.

Die strijd is onder de regering-Netanyahu weer in alle hevigheid ontbrand. Begin vorige maand vertelde de minister van gezondheid, Tzahi Hanegbi, de Knesset namens de regering, dat deze geen enkele overeenkomst met de Palestijnen zal goedkeuren, als de joodse gemeenschappen in Hebron en het naburige Kiryat Arba zich niet mogen ontwikkelen en uitbreiden. Twee weken later vergezelde de onderminister van onderwijs, Moshe Peled, 500 meisjes op een schoolreis naar Hebron. Hij wil meer van dergelijke uitstapjes organiseren “om de studie van het Land Israels te bevorderen en hun de liefde voor het Land bij te brengen”. Ook de joodse kolonisten zijn actief. Zij organiseren busreizen naar Hebron voor hun sympathisanten in Amerika. Aan het eind van de tour kunnen de reizigers Hebron-munten kopen - 400 shekel (200 gulden) voor verzilverde en 400 dollar voor echt zilveren. Ook donaties zijn welkom, liefst in bedragen van 400 (sikkels zilver, Genesis 23), de som geld die Aartsvader Abraham voor de aankoop van zijn graf neertelde.

In Hebron ligt het gebeente van Abraham, Isaak en Jakob, die de joden als hun Aartsvaderen en de moslims als hun Profeten beschouwen. Abraham, voor de Arabische moslims zowel Aartsvader als Profeet, kocht hier een graf in de grot Makpela. Bovenop deze heilige plek bouwden eerst de christenen een kerk. Daarna verbouwden de moslims de kerk tot een moskee ter ere van Abraham - Ibrahim in het Arabisch.

Er zou geen vuiltje aan de lucht zijn geweest als niet volgens de joden Abraham zijn zoon Isaak (de tweede Aartsvader van de joden) had willen offeren om zijn gehoorzaamheid aan God te bewijzen. Niet waar, zeggen de moslims. Ibrahim bood niet Isaak aan als offerande aan God, maar zijn oudste zoon Ismael, voorvader van de Profeet Mohammed en Aartsvader van de Arabieren.

De ruzie om de identiteit van het door God alsnog gespaarde slachtoffer - anders gezegd de ruzie om de vraag wie de liefste zoon was van Abraham cq Ibrahim - bepaalt sinds eeuwen de verhoudingen. De moslims zijn ervan overtuigd dat de joden (en later de christenen) hun heilige teksten hebben vervalst, terwijl de joden er even zeker van zijn dat de moslims een slechte kopie van hun ideeën probeerden te maken. Dus monden de eerbetuigingen aan God en beider Aartsvaders op precies díezelfde plek met een zekere regelmaat uit in moord en doodslag. Eeuwenlang vormden de moslims de overgrote meerderheid van Hebron, in het Arabisch al-Khalil, oftewel de Boezemvriend (van God) - dezelfde koosnaam die de Koran aan Ibrahim geeft. Uiteraard waren de moslims ook de baas over Haram al-Khalil (het heilige gebied van Hebron), waar zij de Ibrahimi-moskee bouwden. Aanvankelijk gaven zij - na hun verovering van Palestina in het jaar 638 - de joden toestemming om eveneens in de grot te bidden en in de omgeving ervan hun doden te begraven. Maar vanaf de 13de eeuw werd de heilige plaats voor joden verboden; zij mochten slechts zeven treden beklimmen van de grote trap die leidde naar de Grot der Aartsvaderen, om van daaruit hun gebeden uit te spreken. Die situatie veranderde pas na de juni-oorlog van 1967, toen Israel Hebron veroverde. Op bevel van de Israelische regering werd deze zowel voor joden als moslims zo heilige plek gedeeld.

Onacceptabel, vinden de moslims èn joden van Hebron. In naam van hun God - maar eigenlijk veel meer in naam van hun volk - eisen zij de exclusieve rechten op van stad en heiligdom. De anderen moeten verdwijnen. Concessies zijn onmogelijk - verraad aan de heiligste principes. De pijn van de jood Moshe is balsem op de ziel van de moslim Mohammed. En omgekeerd raakt Mohammeds ellende Moshe absoluut niet. “Hadden ze d'r maar niet moeten zijn.” In overeenstemming met deze overtuiging hebben de joden op de winkeltjes van de groentenmarkt graffiti gekalkt: “Arabieren naar Jordanië. Joden naar Zion”.

In de joodse nederzettingen in de bezette gebieden (oftewel Judea en Samaria) vinden velen dat de joden van Hebron wel eens overdrijven. Maar, zegt een van de leiders van de Raad van Nederzettingen, op de vraag waarom de mensen in zijn gemeenschap zo gewoon lijken en in Hebron zo gestoord: “Ze hebben het in Hebron heel moeilijk. Ze staan onder zware druk. Je moet daar begrip voor hebben.”

De paar joden die nog ongewapend op de Arabische markt van Hebron boodschappen doen, worden geholpen - soms met een glimlach èn bijna altijd achter hun rug met het gebaar van een mes over de keel. De joodse gewapende jongeren zijn veel openlijker: zij plegen marktstalletjes omver te gooien en Palestijnen fysiek te bedreigen.

De laatste dagen gebeurt dat niet. Weliswaar was er vorige week in Hebron geen sprake van een muwajaha (confrontatie) - zoals de nieuwe Palestijnse benaming luidt van de intifadah (opstand) met kogels. Maar de Israelische militairen hebben voor alle zekerheid de moslims van Hebron een uitgaansverbod opgelegd. Slechts 's ochtends wordt dat drie uur opgeheven om de mensen in de gelegenheid te stellen boodschappen te laten doen of naar de dokter te gaan.

Een paar dagen voordat de muwajaha op de grenslijnen van Israel en het Palestijnse Gezag uitbarstte, waren na de gebruikelijke incidenten stukken van de Hebronse markt opnieuw tot 'militair gebied' verklaard. Er zaten twee joodse meisjes, ongeveer 16 jaar oud. Zij sisten, toen mijn Palestijnse gids en ik ook gingen zitten: “Ga weg, het is hier verboden gebied voor jullie. Dit is joods land, door de Arabieren gestolen.”

Geen enkele Israelische regering en geen enkele Palestijnse leider kan Hebron helemaal opgeven. Premier Rabin probeerde het. Hij dacht dat het een goed idee was als de joden op den duur slechts “met een visum gewapend” in de grot van Makpela zouden bidden, maar moest zijn “verraad” met de dood bekopen. Zijn opvolger, Shimon Peres, eveneens met de dood bedreigd omdat hij hetzelfde voornemen koesterde, zag - na de bloedige zelfmoordacties van Hamas en Islamitische Jihad - af van de met de PLO afgesproken, gedeeltelijke ontruiming van Hebron in maart. Hij was bang de verkiezingen te verliezen. Toen dat toch gebeurde, schoof hij de hete aardappel door naar zijn opvolger, Benjamin Netanyahu.

De moslims en de joden in Hebron zijn zó overtuigd van hun door God gegeven gelijk, dat ze van hun overheden niets moeten hebben. De joden wantrouwen Netanyahu, ook al prijzen ze hem nu even in het openbaar omdat hij zo standvastig lijkt. Hun woordvoerder David Wilder zegt: “Netanyahu kan niets doen. Want Hebron is niet te koop. Het was altijd een joodse stad, Het is een joodse stad. En het zal met Gods hulp voor altijd een joodse stad blijven.” De moslims zeggen precies hetzelfde. Alleen vervangen zij het woord 'joods' door 'islamitisch'. Zij zijn van mening dat de joden in Hebron net zulke vreemdelingen zijn als alle andere zionisten in de rest van Palestina. “Eens zullen zij allen, als God het wil, worden verdreven.”

De weg van het nòg heiliger Jeruzalem naar Hebron voert door allerlei bestuurszones, ingesteld krachtens het tweede Oslo-akkoord tussen Israel en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO). Met uitzondering van Hebron, dat nog steeds volledig in Israelische handen is, liggen de grote Palestijnse steden in Gebied-A - dat wil zeggen onder het het Palestijnse Gezag van Yasser Arafat. Direct buiten deze steden begint Gebied-B, dat onder Arafats civiele gezag en onder Israels militaire gezag valt. Hier bevinden zich geen joodse nederzettingen.

Niet alle gebied-B heeft dezelfde status. Volgens Aref, mijn Palestijnse gids, bevinden zich in Gebied B+ politiebureaus, bemand door Arafats politiemensen. Vlak voordat Israelische militaire patrouilles hier aankomen, maken de Palestijnse agenten zich na een telefoontje onzichtbaar. Zodra de Israeliërs vertrokken zijn, verschijnen de Palestijnen weer op straat. In Gebied B- is dat niet nodig, omdat daar geen Palestijnse politiebureaus zijn. Gebied C tenslotte valt geheel onder Israelisch gezag: dat zijn de joodse nederzettingen en de wegen daarheen. Zo kun je ongemerkt van het ene in het andere gebied belanden - met alle gevolgen vandien.

“Hebron”, zegt één van de verbitterde kooplui, “is als een eiland in de zee - gescheiden van zowel Israel als de Palestijnse gebieden. De weg Wadi Narr (een door Israel gebouwde omleidingsweg voor de Palestijnen) gaat niet meer naar Oost-Jeruzalem. Je bent een dag kwijt als je van Hebron naar Ramallah wil. Vroeger was dat drie kwartier. Het is voor ons gemakkelijker naar Mars te gaan dan naar Jeruzalem. Door die weg hebben ze nu ook de dorpen afgesneden van Hebron. Nog maar vijf- tot zesduizend mensen hebben een werkvergunning in Israel, maar ook zij kunnen niet meer werken. De heer Arafat spreekt voortdurend over the peace of the brave. Hij vergist zich; het gaat om the piece of the bread.”

Een ander mengt zich in het gesprek. “Arafat schijnt erg veel moeite te hebben Israels politiek te begrijpen. Israels standpunt is nooit veranderd. Ze willen Arabische huizen afbreken en joodse huizen bouwen. Over vrede spreken ze alsof het een advertentie is. Het probleem is dat Israel gesteund wordt door buitenlanders, Amerikanen. En ons grootste probleem is: waar komt die Arafat toch vandaan? Hij is ons door de joden opgedrongen. De intifadah had met Arafat niets van doen. Die kwam door de onderdrukking van het Palestijnse volk.”

Een marskramer komt langs. Hij blijkt een van de vijf imams te zijn van de Ibrahimi-moskee: Mohammed Ziad Gabr, 33 jaar oud, gestudeerd in Jeruzalem. “Ik was in de moskee toen Goldstein de gelovigen vermoordde”, vertelt hij en biedt door hem geschreven tractaten aan, verzameld in een houten bak voor zijn buik. Vijf shekel per stuk. “Stop het goed weg, het zijn heilige werken. Zij beschrijven hoe vrouwen zich moeten gedragen.” Hij feliciteert mijn begeleidster die een grote doek om haar hoofd heeft en een rok tot aan de voeten. “U bent een goede vrouw.”

Elke dag, als imam Mohammed naar de moskee gaat, wordt hij door de soldaten op wapens onderzocht. Dan moet hij recht tegen de muur gaan staan. “Ik vraag de soldaat, die veel jonger is dan ik: 'Waarom doe je dat? Waarom vernederen jullie mij voor de gelovigen? Hoe moeten zij dat ervaren?' Maar ik krijg nooit een antwoord.” De imam nodigt ons uit mee naar huis te aan. Dan zal hij uitleggen hoe God Saddam Hussein heeft geholpen bij diens overwinning in de Golfoorlog. Een jongen biedt muziekcasettes aan. Hij heeft geen muziek van Hamas. “Die nemen de joden in beslag. Want volgens hen zijn de mensen van Hamas allemaal moordenaars. Ze doen alsof je je niet mag verdedigen wanneer iemand je tas wegpikt.”