Hoe diep denken de dieren?

Daniel Dennett: Kinds of Minds, Basic Books, Weidenfeld and Nicolson, 184 blz., ƒ 35,85

Na twintig jaar omzwervingen komt baasje Odysseus eindelijk thuis. De inmiddels stokoude hond Argos lijkt hem te herkennen. Hij kwispelt, legt zijn oren plat - en sterft. Odysseus pinkt een traan weg, ontroerd dat zijn vriend hem heeft herkend. Ten onrechte, volgens de inzichten van Daniel Dennett. Want wellicht reageerde Argos helemaal niet op zijn baas als 'persoon', maar op een bekende verzameling geuren, geluiden en andere zintuiglijke indrukken waarbij nu eenmaal bepaald gedrag hoorde.

De filosoof en cognitie-specialist Daniel C. Dennett heeft geen hoge pet op van dieren. In Consciousness Explained (1991) behandelde hij het menselijk bewustzijn, hooguit impliciet iets meldend over dat van andere dieren. De evolutionaire onderbouwing van zijn ideeën stuitte op scepsis - reden voor hem om vervolgens het veelgeprezen Darwin's Dangerous Idea (1995) te schrijven. De onuitgesproken lading van het eerstgenoemde boek heeft menige verontruste brief opgeleverd, aldus Dennett. Hoe zat het met zijn visie op dieren? Nu is er dus Kinds of Minds, bedoeld als een verheldering. In hoeverre bezitten dieren bewustzijn en kunnen zij lijden?

We weten dat andere mensen bewustzijn hebben, omdat ze ons dat kunnen vertellen. Wij praten met elkaar en komen er door vraag en antwoord achter dat we een subjectieve wereld delen. Maar wat te zeggen van een 'bewustzijn' dat geen taal heeft zoals wij die kennen? Misschien is taal niet alleen een hulpmiddel om iets te achterhalen over andere geesten, maar een vereiste voor bewustzijn op zich. Werkelijk taalgebruik houdt ook het vermogen in te reflecteren over wat bekend is of wordt geloofd. Taal stelt ons in staat onze eigen gedachten ter discussie te stellen.

Welke wezens of biologische eenheden zouden gedachten hebben, en vooral: gedachten over hun gedachten? Voordat ook maar iemand kon denken, bestonden op aarde wezens met grove, onnadenkende doelsystemen - niet meer dan zoekende en onderscheid makende machines zonder benul van wat zij deden en waarom. Naarmate de omstandigheden veranderden, paste het ontwerp van deze genetische kopieerapparaten zich aan. Er kwamen wezens die jaagden, zonder dat zelf te weten, en ook vluchtten, zonder daarvan enig besef te hebben. Sommige kregen bepaalde know-how hoe dat het beste te doen. Maar die nuttige informatie heeft niets met werkelijke kennis van doen. Jolig spreekt Dennett over de snow-how van een ijsbeer. Hij wéét met sneeuw om te gaan, ja, maar onze reflectie over het wat-en-hoe van sneeuw moet hij ontberen. En verschillende soorten sneeuw benoemen kan hij al helemaal niet.

Een volgende stap in de omgang met de omgeving was het maken van innerlijke representaties van die omgeving en het ordenen daarvan. Zo heeft een hond mogelijk een concept van wat een 'kat' is. Maar, benadrukt Dennett, hij zal er nooit over na kunnen denken of zijn concept nu wel volledig is en of hij zijn eigen conceptvorming wel doorgrondt. Kortom, honden vormen hun concepten in de praktijk, maar theoretische verdieping ontbreekt. Dennett noemt het intelligent, maar niet-nadenkend gedrag.

Mensen zijn een stuk verder gegaan. Die doen weliswaar ook veel intelligente dingen zonder nadenken, zoals autorijden of veters strikken, maar veel van dit onnadenkende gedrag werd aanvankelijk in een leerfase juist zeer zelfbewust uitgevoerd, aldus Dennett. Hoe kregen we die overgang voor elkaar? Door taal. Door taal te leren installeren we verbeteringen in onze hersenen waarmee we onze activiteiten kunnen terugroepen, oefenen of herzien. De eenheden die het het langst volhouden, daarbij aan invloed winnend, noemen we onze bewuste gedachten. Zij domineren ons gedrag.

Het is een overzichtelijk beeld. Waarom en hoe je je van die gedachten bewust wordt, is volgens Dennett maar een verwarde vraag. 'Je hebt “automatisch” weet van deze zaken die zich in je lichaam afspelen, want als je het niet had zou het jouw lichaam niet zijn!', voegt hij toe, met een onfilosofische afkeer van problematiseren. Voor hem geen Cartesiaanse res cogitans.

Andere dierlijke 'minds' zijn heel anders, vindt Dennett. Vermoedelijk zelfs die van chimpansees. Zijn die in staat tot het efficiënt en nuttig omgaan met theoretische concepten, tot verbeelding en fantasie? Als zulke vragen over dieren eenmaal beantwoord zijn, weten we genoeg om de belangrijke morele vragen te stellen. Tot die tijd moeten we niet aannemen dat dieren een vorm van zelfreflectie kennen die enigszins op de onze lijkt. En zonder zo'n reflecterend bewustzijn is er geen lijden. Dat is een koppeling die Dennett zeer makkelijk aanbrengt. Hij poneert als stelling dat niet-menselijke dieren niet kunnen lijden zoals wij. Er met een opgestoken natte vinger aan toevoegend: 'Noch wat de aard, nog wat de hoeveelheid aangaat.'

Tussen de bedrijven door toont Dennett zich sceptisch over de vermogens van mensapen. Ook voor wolven heeft hij, een dikke stapel literatuur ongelezen latend, geen goed woord over. Maar voor honden heeft hij tegen het eind van zijn betoog wel een leuke deus ex machina in petto. In een langdurig proces hebben wij mensen díe honden voor de voortplanting geselecteerd die ons bevielen. Heel misschien hebben we daarmee een vorm van bewustzijn in deze trouwe viervoeters ingebouwd die op de onze lijkt. Het lijkt een wat geforceerde knieval voor de hondebezitters onder zijn lezers.

Dennetts soms al te vlotte betoog bevat te veel losse eindjes en makkelijke conclusies om te overtuigen. Gaat dat adagium 'ik praat, dus ik denk over mijn gedachten' eigenlijk wel op? Is er nu wel zo'n hemelsbreed verschil tussen mens en dier? Bij Dennett is de mens weer een rationeel dier bij uitstek, terwijl psychologen en psychiaters zich er nu juist de tanden op stukbijten dat verbaal rapporteren over beweegredenen en gevoelens werkelijk inzicht in gedrag niet veel dichter bij brengt. Niet zelden komt éérst het gedrag en dan de rationalisering. Dennetts stelling dat bewuste gedachten ons gedrag domineren, oogt wat bleekjes als je er gedragsbiologisch onderzoek naast legt naar zelden bewust ervaren drijfveren.

Je kunt je ook afvragen waarom bewustzijn pas het vermogen tot werkelijk lijden met zich meebrengt wanneer het over het eigen functioneren kan bespiegelen. Sommige dieren beschikken aantoonbaar over zelfbewustzijn, verplaatsen zich in het perspectief van anderen en plegen daardoor bekwaam bedrog. Chimpansees kunnen heel goed acteren dat lekker fruit juist niet daar ligt waar zij wéten dat het ligt, om anderen om de tuin te leiden. Je kunt zoiets al dan niet 'denken' noemen, het maakt niet uit: voor Dennett telt pas het denken over het denken, waar een mens en vooral hijzelf zo goed in is.

Maar mensen ontrafelen hun eigen denken misschien ook wel minder dan Dennett zou wensen. Noem het 'het Einstein versus Fikkie' syndroom binnen de vergelijkende gedragswetenschap. Waar het om de capaciteiten van de mens gaat, geldt het door de bovenlaag behaalde niveau als norm. Maar ook mensen tonen zich nog wel eens gewoontedieren. Om terug te komen op het 'hond-kat' voorbeeld: het is voorstelbaar dat niet iedere Feyenoord-supporter regelmatig bij zichzelf te rade gaat of zijn concept van 'Ajax' wel volledig is en of hij zijn eigen conceptvorming wel doorgrondt. En is een voetballer, als het om zijn inzicht in grassoorten gaat, niet even beperkt als de genoemde ijsbeer met zijn snow-how? Ook zijn er mensen die niet uitblinken in zelf-reflectie of taalgebruik. Nu kan Dennett weer brieven verwachten van baby-liefhebbers.

Gevoelens en emoties zijn handige regelaars voor het gedrag van wat hoger ontwikkelde dieren. Hun lichaamstaal is duidelijk. Je vraagt je af waarom het strijdtoneel van drijfveren en emoties geen mogelijkheid tot lijden met zich mee zou brengen en het botsen van woorden en verbale denkbeelden in de inwendige echoput van de mens wel.

In Through our eyes only - the search for animal consciousness (W.H. Freeman, Spektrum, Oxford, 1993) brengt Marian Stamp Dawkins, lector diergedrag aan de universiteit van Oxford, goed onderbouwd de boodschap dat er zich in dieren juist meer afspeelt dan we soms al te makkelijk aannemen. Wat mij betreft wint Dawkins. Neem Dawkins voorbeeld van grijze roodstaart-papegaai Alex, die dankzij een academisch begeleide taalopleiding kan bogen op een uitgebreid Engels vocabulaire. Zomaar wat napraten is er niet bij: hij past zijn woordenschat trefzeker toe. Hij toont zich daarbij goed in complex en gecombineerd gebruik van begrippen als 'vorm, kleur en aantal'. Zijn gedrag suggereert inzicht in de eigen ordeningsprincipes en kritische aanpassing daarvan.

Dat zo'n zelfde papegaai tijdens een veelzijdig leven in de Afrikaanse natuur niet over zulke kritische vermogens zou beschikken, bij gebrek aan mensentaal, lijkt onhoudbaar. Overigens hebben gorilla's in gevangenschap op navenante wijze - maar dan via aangeleerde gebarentaal - voorbeelden gegeven van de door Dennett nauwelijks voor mogelijk gehouden dierlijke fantasie en creativiteit. Je hoeft het niet met de interpretatie van zulke gegevens eens te zijn, maar ze onvermeld laten en doen alsof alle onderzoek nog moet beginnen, is niet terecht.