Het beloofde land

In Numeri 13 en 14 wordt het verhaal verteld dat ik zo menigmaal op de zondagsschool heb mogen horen: hoe Mozes twaalf verspieders uitzendt in het beloofde land, en hoe die verspieders terugkomen met veelbelovende, reusachtige druiventrossen, en met enge verhalen over reuzen en sterke vestingen. Tien van de twaalf verspieders zijn sceptisch.

Weliswaar is het beloofde land inderdaad een 'paradijs overvloeiende van melk en honing', maar zal het volk Israël wel in staat zijn die vestingen te veroveren en die Enakskinderen te verslaan? Twee verspieders, Jozua en Kaleb, zijn van mening dat de verovering van Kanaän geen onoverkomelijke problemen hoeft op te leveren. Zij vinden geen gehoor, het volk Israël murmureert zoals gewoonlijk, en uiteraard ontsteekt God, humeurig als altijd, in woede, net zoals hij in Numeri 11 ook al deed. ('De AANWEZIGE hoort het en ontsteekt in woede, - vuur van de AANWEZIGE brandt bij hen los en vreet de rand van de legerplaats aan.') En dadelijk velt Hij ook het vonnis. De Israëlieten zullen het beloofde land nog niet binnengaan, maar veertig jaar in de woestijn moeten blijven zwerven. Merkwaardig toch! Hij had ook kunnen zeggen: jullie zijn uiteraard geschrokken van die berichten over Enakskinderen, maar slaap er nog eens een nachtje over. Morgen denken jullie wellicht anders. Bovendien kan ik jullie verzekeren, reuzen bestaat niet en hebben ook nooit bestaan, de berichten daarover in, onder meer, de eerste hoofdstukken van Genesis zijn fabels. Maar zo is God niet, zodra zijn Volk even verslapt, reageert hij furieus, en menigmaal weet Mozes nog net te voorkomen dat Hij het hele volk verdelgt.

Op Jozua en Kaleb na, zal niemand van de volwassenen het beloofde land binnengaan. Zelfs aan Mozes wordt de toegang tot het beloofde land ontzegd. Hij heeft namelijk, om er water uit te doen stromen, in drift op een rots geslagen, inplaats van die steenhoop, zoals God bevolen had, toe te spreken. In het laatste hoofdstuk van Deuteronomium - ik kreeg er als kind altijd tranen van in de ogen en het was moeilijk om niet te denken dat God hier onrechtvaardig handelde, want was het nu zo erg dat Mozes geslagen inplaats van gesproken had? - wordt verhaald hoe Mozes op de top van de Psigah het beloofde land mag zien. Daarna sterft hij.

In zijn boek Wegen en voetsporen van het Oude Testament vertelt M.A. Beek dat je vanaf de top van de Psigah bij helder weer een grandioos uitzicht hebt en het hele beloofde land kunt zien liggen. Zelfs het meer van Galilea kun je soms ontwaren. Aan zijn beschouwing over het uitzicht voegt Beek een onschuldig ogend zinnetje toe: 'Vanaf deze berg ziet men ook niet hoe steenachtig en onvruchtbaar het beloofde land is.'

Het beloofde land. Stel: je bent de Schepper van het ongelofelijke heelal waarin wij leven. Uit één van die miljarden sterrenstelsels kies je er één uit waar je bijzondere aandacht aan wilt geven. Uit dat sterrenstelsel kies je weer een onaanzienlijk zonnestelsel met voornamelijk kale planeten, maar ook één onooglijk planeetje waarop leven woekert. Uit de volkeren die daarop krioelen, kies je één volk dat je speciaal wilt begunstigen. Je hebt uiteraard de hele aarde tot je beschikking om dat volk te laten wonen. Zou je dan, als je dat volk in je almacht overal heen kunt leiden, nu uitgerekend Palestina uitkiezen voor je Volk? Terwijl je ze ook naar Californië zou kunnen leiden, of naar de grazige weiden van Wyoming, of naar Griekenland, of naar de Dordogne, of naar Italië? Zou je nu echt zo'n smal, steenachtig, onvruchtbaar, dor stukje grond voor ze uitkiezen? Dat is toch uiterst onaannemelijk. Weliswaar wordt er alsmaar gesproken over een 'land overvloeiende van melk en honing' (ook niet eens zo aantrekkelijk, trouwens, wat moet je met al die cholesterol-rijke melk en aan zoveel kleverige honing heb je al helemaal niks), maar het beloofde land vloeide helemaal niet over van melk en honing. Het beloofde land was, gelet op al die aangename streken op deze aarde waar God zijn volk ook naartoe had kunnen leiden, welbeschouwd een regelrechte flop. Dit temeer daar het ook geen bodemschatten bevat, terwijl vlakbij enorme oliebronnen zijn. Blijkbaar had God geen vooruitziende blik.

Zou God Mozes daarom het beloofde land niet hebben laten ingaan? Zou hij hem de ontnuchterende aanblik hebben willen besparen van die droge, in de zon blakerende steenwoestijn Palestina? Zou hij hem daarom vanaf de Psigah hebben laten turen naar Kanaän, omdat je vandaar af 'niet ziet hoe steenachtig en onvruchtbaar het beloofde land is.' Zou God, om het maar eens in gewoon Nederlands te zeggen, Mozes gewoon vanaf de Psigah bedot hebben? En zou dat ook de reden zijn geweest waarom al die Israëlieten die nog herinneringen hadden aan het vruchtbare land Gosen, in de woestijn moesten blijven zwerven totdat ze omkwamen? Hun kinderen, aan de woestijn gewend, moeten zelfs het dorre, onvruchbare Palestina als een verademing hebben ervaren.