Godzoekende morren en tobbende olifanten

Toon Tellegen & Jan Jutte (ill.): Teunis. Querido, 61 blz., ƒ 22,90

Toon Tellegen: De ontdekking van de honing. Querido, 46 blz., met waardebon. ƒ 4,95

Eerst was er Jannes. Jannes was een olifant en zijn moeder was ook een olifant en zijn vader ook maar die was kapitein op een schip en die was er nooit. Verder was ook iedereen en alles een olifant: in de bomen tjilpten kleine olifanten, er zoemde weleens een olifantje tegen het raam, olifanten zwommen in de vijvers, bestuurden de trams, kwamen te olifant voorbij of waren juf van de crèche en er waren er ook die in de dierentuin van tak tot tak slingerden of grappig naar vissen doken. Jannes leefde in een volledige olifantenwereld.

Nu is er Teunis. Teunis is ook een olifant. Zijn moeder is een olifant en zijn vader ook, maar die is ontdekkingsreiziger en is er nooit. Verder is er niemand een olifant, alle anderen zijn mensen. Teunis krijgt op school les van een mensenjuf en hij moet net als de andere kinderen schrijven leren wat hem tot wanhoop drijft want in zijn poot kan hij natuurlijk geen pen vasthouden en in zijn slurf wel maar dat schrijft erg onhandig. Teunis heeft het moeilijk met de wereld om hem heen, die zo anders is dan hij.

Zowel Jannes als Teunis komen uit de pen van Toon Tellegen, uit wiens pen toch al menig dier tevoorschijn is gekomen. Maar de dieren uit het dierenbos zijn heel andere lui dan Jannes en Teunis. De dierenbosdieren hebben geen weet van mensen en maatschappij, die zijn altijd in de weer met abstracte begrippen en emotionele kennisvragen zoals: wat is missen? waar komt verdriet vandaan? hoe ziet achterdocht eruit? en dat zijn allemaal geen dingen die Jannes of Teunis bezighouden.

Teunis gaat over anders-zijn. Teunis' moeder heeft het zelfs over haar 'olifantschap'. En Teunis zelf kijkt almaar of hij ook wel eens ergens een andere olifant ziet, maar als hij er een keer eentje ziet lopen op straat, loopt die op zijn achterpoten en doet niet-begrijpend als Teunis hem als olifant aanspreekt. Met zijn slurf in zijn mond verloochent hij ijskoud zijn afkomst: “'Een sjlruwf?' sliste hij. 'Ik heb helemaal geen sjlurwf.”'

Moest Jannes eraan wennen dat wezens precies als hij zelf andere wezens precies als hij zelf opsloten en zelfs opaten (een olifantje in een web zuigt een zoemend olifantje leeg), Teunis moet ermee zien te leven dat hij en zijn moeder de enigen zijn die geen mensen zijn, terwijl hij dolgraag gewoon wil zijn, vooral niet raar: 'Dat leek hem het ergste wat er bestond'.

Gelukkig heeft olifant-zijn ook wel eens voordelen. Teunis kan bij voorbeeld een bal zo'n loeiharde trap geven dat hij honderden meters wegvliegt.

“Een paar jongens bleven staan.

'Jij kan ver trappen,' zeiden ze.

'Ja, maar ik ben ook een olifant', zei Teunis.

'Jawel', zeiden de jongens, 'maar het is toch heel ver.''

Het is een lief boek, dit Teunis waarin het zware - twee zwaren eigenlijk: een vader die altijd weg is en het 'olifantschap' - door het zo uit te vergroten luchtig maar precies voelbaar wordt gemaakt.

Niet bekend

“Wie zou de zon ontdekt hebben? dacht de mor. Dat is echt een grote ontdekking geweest.” De mor maakt een ontdekkingsreis om de honing te vinden, niet zomaar honing, maar de honing, de bron van alle lekkers. Maar hoe ziet de honing eruit? En zal hij zich wel laten ontdekken? En als de mor de honing zou vinden, hoe zou hij dat dan weten? Bestaat de honing eigenlijk wel? Een godzoekend boek, vol met de beste vragen die morren zich kunnen stellen.