Geloven in een rustige toon

Raar is dat toch, dat over geloven de laatste tijd voortdurend op zo'n hevige polemische toon gesproken wordt. Zelfs over een beetje geloven, of over ontroering of over het verlangen naar God - het moet allemaal bestreden (of verdedigd) alsof er een of andere aantoonbare waarheid of onwaarheid mee gemoeid is waar veel van afhangt.

Maar zo is het eigenlijk niet. Wie onkerkelijk, ongelovig zelfs, toch denkt dat hij wel iets begrijpt van wat het woord 'God' zou kunnen vertegenwoordigen, wie er misschien zelfs naar verlangt dat dat woord voor hem of haar meer inhoud zou krijgen, dat het van een woord zou veranderen in een ervaring, die zit er natuurlijk helemaal niet op te wachten om te horen dat de katholieke kerk zich in de Middeleeuwen niet altijd netjes heeft gedragen, noch dat een beetje geloven niet bestaat of dat hij maar eens even moet uitleggen waarom Maria geen aanslag op de Paus heeft kunnen voorkomen. Om zulke dingen gaat het helemaal niet.

De meeste mensen die nu zo 'modieus' (ja hoe meer we erover praten en schrijven hoe modieuzer het wordt natuurlijk) ook eens de kant van de kerk op kijken gaat het gewoon om de aloude vragen en verlangens: het verlangen naar zingeving, troost, een 'bezield verband' om die woordcombinatie maar weer eens te voorschijn te halen. Dat zijn niet per se gevoelens of verlangens om tegen ten strijde te trekken - het zijn wel verlangens waar de kerk zich al heel lang en niet zonder vrucht, mee bezig heeft gehouden. Net als de kunst, en soms in combinatie. Wie ontroerd wordt door kerkelijke muziek, door psalmteksten, door schilderijen of gedichten die op een of andere manier uitdrukking geven aan een geloof in iets groters dan wij zijn, die kan ernaar verlangen om deel te hebben aan dat geloof. Misschien is dat onbereikbaar om allerlei andere redenen, maar het komt zeker tegemoet aan een verlangen dat vrijwel iedereen herkent die eerlijk is tegen zichzelf en die niet al te bang is nu definitief uit de kerk der rede verdreven te worden.

In zijn boek De zoon van de Panter laat Paul Claes de discipel Johannes het volgende zeggen: “Maar ik die niets weet, weet dat God de naam is van onze onmacht, onze wanhoop en onze onwetendheid”. Dat is mooi en waar. Het is niet erg kerkelijk of vanuit grote zekerheden gezegd, het is eerder een manier om het verlangen naar god onder woorden te brengen, het verlangen naar de ervaring van het bestaan van god, naar dat er inderdaad een verband denkbaar of voelbaar zou zijn waarin veel van alles waar het zo moeilijk mee leven is, opgelost zou worden. Zonder nu meteen op Rilke-achtige wijze te willen schwärmen met een zeer met de wereld begane God (“Wir alle fallen. [...] Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen unendlich sanft in seine Händen hält”), die hoogstpersoonlijk troost komt bieden, gaat van het grotere geheel, het allergrootste, van het onveranderlijke zij het ook onkenbare bestaan van god, iets troostrijks uit - als je daar in zou (kunnen) geloven.

De psalmen bieden nogal eens die eigenaardige, niets verzachtende troost, door het vluchtige en nietige van het mensenleven tegenover de eeuwigheid van god te zetten: “Want duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren wanneer hij voorbij gegaan is (-) als een slaap in de morgen, als het gras dat opschiet; in den morgenstond bloeit het en het schiet op, des avonds verwelkt het en het verdort.” Of: “De sterveling - zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.”

Mooi, die gras-metaforen, mooi ook het verkleinen van het menselijk leven tot iets zo vluchtigs in verhouding tot het 'van eeuwigheid tot eeuwigheid'. Het inzicht dat wij maar kort leven en weinig voorstellen wordt natuurlijk ook buiten de bijbel gedurig onder woorden gebracht - Luceberts 'broodkruimel op de rok van het universum' is er een van de vele bewoordingen van. Daar is verder geen goddelijk perspectief bij nodig, we kunnen dit gewoon moedig onder ogen zien. Maar dat neemt niet weg dat we in onze onmacht, onze wanhoop en onze onwetendheid soms wel heel graag zouden willen voelen dat er een goddelijke eeuwigheid is die ons bestaan overstijgt.

Het is wel een onderwerp om het af en toe eens over te hebben. Zonder dat we meteen te horen moeten krijgen dat de paus zeer ten onrechte tegen anti-conceptie is. Ja dat is zeer ten onrechte. Maar daar gaat het niet over. Er zou een rustiger toon gevonden moeten kunnen worden om over geloof te spreken. Het is geen debat. Het zijn vragen - en als ze onbeantwoordbaar zijn, zijn ze toch nog altijd de moeite waard om te stellen.