Elke dag zwaardvis

Het was een feest in een hotelkamer, in het Waldorf Astoria. Op de twintigste verdieping. “Ik houd niet zo van feesten in hotelkamers”, zei ik nog, maar Billy duwde me naar binnen. Overal waren mensen, zelfs de badkamer stond vol. Iemand drukte mij een glas whisky in de hand. Een meneer vroeg of ik Benny was van het restaurant.

Maar ik zei dat ik Arnon was van de zuidvruchten. “Fantastisch”, zei de man, “fantastisch”, en hij kneep in mijn schouder. Billy verdween steeds verder in de mensenmassa. Ik bleef dicht bij de deur, zodat ik in het geval van brand niet onder de voet zou worden gelopen.

Een kale man met rijlaarzen was op het bed geklommen. “Stilte”, werd er geroepen, “stilte. Lee gaat spreken.”

Iedereen hief zijn glas. Het glas dat iemand mij in de hand had gedrukt, was door iemand anders alweer uit mijn hand getrokken. Ik had sterk de indruk dat Lee mij aanstaarde. Misschien dacht hij ook dat ik Benny van het restaurant was. Daarom knikte ik hem maar vriendelijk toe.

“Mensen”, zei Lee, daar staand op het bed, “mensen, ik vind het fantastisch dat jullie allemaal zijn gekomen.” Op dat moment kreeg hij Billy in de gaten. Hij strekte zijn arm uit in haar richting en een schorre kreet kwam uit zijn mond. Onmiddellijk gevolgd door: “Eruit met dat wijf.”

Aangezien dat wijf me mee had genomen naar dit feest, leek het me verstandig ook weer met dat wijf het feest te verlaten. De man die eerder had geïnformeerd of ik Benny was van het restaurant schreeuwde: “Hij staat hier, hij staat hier.” En daarbij wees hij in mijn richting. Ik knikte nog steeds vriendelijk, want de ervaring heeft me geleerd dat dat het beste is wat je in dit soort situaties kunt doen.

Lee gooide het glas dat hij al die tijd in zijn hand had gehad kapot tegen de muur, schuin boven het hoofd van Billy. Meteen begonnen een paar vrouwen korte hoge gilletjes te slaken. En in plaats dat iedereen met iedereen op de vuist ging, zoals dat in films gebeurt, en zoals ik stiekem had verwacht dat het ook in werkelijkheid zou gebeuren, duwde iedereen in de richting van de deur. In mijn richting dus. Ze wilden dus helemaal niet met elkaar op de vuist, alles behalve zelfs. Een forse man die uit de badkamer kwam, had de deur naar de gang geopend.

Ik liep zo waardig mogelijk naar de lift. Gevolgd door alle andere feestgangers. De vrouwen die korte hoge gilletjes hadden geslaakt renden het hardst. Ze hadden soms zelfs hun schoenen uitgetrokken om nog harder te kunnen rennen. Op de achtergrond gilde Lee nog altijd: “Eruit met dat wijf, eruit met haar, zeg ik, anders gebeuren er ongelukken.” Gelukkig vroeg niemand meer of ik de Benny was van het restaurant. Omdat ik als een van de weinigen waardig naar de lift was gelopen, lukte het Billy om me in te halen. Ze viel me om mijn schouders. Ik weet niet zeker of ik dat wel zo prettig vond, waar al die mensen bij waren. Straks gingen ze weer denken dat ik Benny van het restaurant was en ik wist bij God niet wat dat voor kerel was. Daarom klopte ik op de schouder van Billy en zei, “Stil maar snoezepoes, stil maar.” Normaal noem ik nooit iemand snoezepoes. Maar in bijzijn van twee dames die kort daarvoor nog korte hoge gilletjes hadden geslaakt werd een oude behoefte weer in mij wakker. De behoefte om macho te zijn. De behoefte om een en al macho te zijn, van onder tot boven en van links naar rechts. Die behoefte heb ik, sinds ik in rozijnen handel, niet meer zo sterk gevoeld, maar opeens was het vuur weer daar. Daarom zei ik nog een keer: “Stil maar snoezepoes, alles is onder controle.” De vrouwen - een had haar schoenen nog in haar hand - keken mij verbaasd aan. Toen kreeg ik een geniale inval. Misschien wel de geniaalste inval van mijn leven. Ik zei, “Billy, de rol van macho ligt me niet zo, dus als ik de plank mis sla moet je het gewoon zeggen.” En toen, toen begonnen de dames te giechelen. Ze giechelden en giechelden en ook Billy giechelde, terwijl we daar op de lift stonden te wachten, op de twintigste verdieping van het Waldorf Astoria. Dat gegiechel was natuurlijk rampzalig. Niet allen was net de oude wens macho te zijn, weer in mij wakker geworden, maar ook begon ik door dat gegiechel te denken dat ik de geestigste persoon was die er op deze wereld rondliep. Dat heb ik van mijn achttiende tot mijn negentiende gedacht, met rampzalige gevolgen. Maar daarover later meer. Achteraf schaamde ik me daar natuurlijk dood voor, maar op het moment dat je oprecht gelooft dat je de geestigste persoon bent op deze wereld, zou je wel kleine sprongetjes van pure verrukking willen maken.

Alsof het allemaal niet erg genoeg was, zei Billy ook nog: “Je bent een leuke man.” Ik viel bijna flauw. Ik, de anti-Don Juan, het anti-talent, die had gedacht tot zijn pensioen zijn verlangen te moeten stillen met rozijnen, ja, ik viel bijna flauw. Maar gelukkig bedacht ik me bijtijds dat ik een macho was, daarom gaf ik de dames een knipoog en zei: “Natuurlijk ben ik een leuke man.”

De hal van het Waldorf Astoria was uitgestorven. Een man met een stofzuiger keek ons argwanend na. Misschien was het de hoteldetective.

“Ik moet de stad uit”, zei Billy, toen we op Park Avenue stonden. “Ik ken iemand in Saratoga.”

Ik had geen idee wat of waar Saratoga was, maar ik was door het dolle heen. “Prima”, zei ik, “dan gaan we naar Saratoga.”

“Heb je een creditcard?” vroeg Billy. “Natuurlijk”, zei ik, “ik heb er wel drie.”

We namen een taxi naar de parkeergarage waar haar auto stond. Het was zo'n klein blauw Fordje.

Het was half negen in de ochtend toen we in motel Fisherman Inn in Saratoga aankwamen. De mensen in de kamer naast ons zaten op de stoep te ontbijten. Met hun autoradio aan.

Billy viel op bed in slaap. Ze had de hele nacht gereden. Ik liep naar het zwembad, nog altijd in de veronderstelling dat ik een macho was. Ik moest me voorover buigen om te zien wat in het zwembad lag. Iemand had twee ligstoelen in het zwembad gegooid. Wat raar, dacht ik nog, waarom gooien ze hier ligstoelen in het zwembad.

Twee dagen later vloog ik naar Las Vegas, waar ik met Billy getrouwd ben.

Ja, het hoge woord moet er nu maar eens uit. Ik ben met Billy getrouwd. Ik dacht, naar de hel met de rozijnen.

(wordt vervolgd)