Een steunpunt voor de musea

Mr. W.O. Koenigs neemt morgen afscheid als voorzitter van de Vereniging Rembrandt, die geld verstrekt aan musea voor nieuwe aankopen. 'Vroeger kwam moderne kunst niet voor steun in aanmerking.'

AMSTERDAM, 4 OKT. De ei-vormige sculptuur Het begin van de wereld van Brancusi, een Meissen-terrine van Stadhouder Willem V en Rembrandts schilderij van Haesje Jacobsdr. van Cleyburg hebben behalve dat het kunstvoorwerpen zijn één ding met elkaar gemeen: ze zijn voor het publiek te zien mede dankzij de Vereniging Rembrandt die de aankoop financieel steunde.

De particuliere Vereniging Rembrandt, in 1883 opgericht tot behoud en vermeerdering van het Nederlands openbare bezit aan kunstschatten, geeft financiële steun aan musea bij het aankopen van belangrijke kunstobjecten. Mr. W.O. Koenigs heeft zich bijna vijfentwintig jaar voor de vereniging ingezet, eerst als secretaris, de laatste twaalf jaar als voorzitter. Morgen neemt hij afscheid op een bijeenkomst in het Rijksmuseum in Amsterdam. Daaraan is een publiek debat verbonden met onder anderen VVD-fractievoorzitter mr. drs. F. Bolkestein en oud-minister van cultuur mr. drs. L.C. Brinkman. Koenigs ontving eerder dit jaar uit handen van Prins Bernhard een Zilveren Anjer voor zijn verdiensten voor de vereniging. Wie zijn opvolger wordt, is nog niet bekend.

De Nederlandse musea beschikken over een beperkt aankoopbudget en zijn daarom gedwongen om voor belangrijke nieuwe aanwinsten bij anderen aan te kloppen. Alle musea komen in principe voor steun van de Vereniging Rembrandt in aanmerking. “We krijgen ongeveer dertig aanvragen per jaar die serieus bekeken worden”, zegt Koenigs. “Daarvan worden er zo'n achttien gehonoreerd. Voorwaarde is dat de objecten in het museum passen en dat wij de aankoop de moeite waard vinden. De musea moeten ook zelf bereid zijn er een beduidend bedrag in te steken uit het eigen aankoopbudget en uit bijdragen van vriendenkringen.”

Vroeger steunde de vereniging geen moderne kunst. Na de oorlog is dat langzaam veranderd. Eerst stelde de vereniging nog de voorwaarde dat de kunstenaar niet meer in leven mocht zijn. De eerste mijlpaal was de aankoop in 1967 door het Stedelijk Museum in Amsterdam van La Perruche et la Sirène van Henri Matisse, die in 1954 was overleden. Koenigs: “We kwamen op een gegeven moment te worstelen met de vraag of we aankopen van nog levende kunstenaars als Picasso en Willem de Kooning moesten steunen. In 1977 heeft het Stedelijk met onze hulp een doek van De Kooning gekocht. Sinds de jaren tachtig zijn we steeds vaker gaan bijdragen aan werk van levende kunstenaars. Vooral bij moderne kunst bestaat het risico dat we de boot missen als we de musea niet steunen. Hoewel ik persoonlijk wel eens aarzelingen krijg over het prijsniveau van hedendaagse kunst, als ik prijzen zie die soms in de zeven cijfers lopen.”

Volgens Koenigs is het een fabeltje dat de musea zo vol zitten dat nieuwe aankopen regelrecht in de depots verdwijnen. Musea die geld krijgen van de Vereniging Rembrandt zijn contractueel verplicht het gekochte werk permanent, of ten minste met grote regelmaat tentoon te stellen. Hoewel de moderne kunst een belangrijke plaats inneemt, gaat de meeste steun nog naar de oude kunst. De vereniging heeft veel over gehad voor de schilder waaraan zij haar naam ontleent. Een van de grootste bijdragen ooit was voor Rembrandts Portret van Johannes Uyttenbogaert (1633), dat in 1992 voor ruim 17 miljoen gulden werd gekocht door het Rijksmuseum, een transactie waaraan het rijk negen miljoen bijdroeg. Daarnaast verwierf het Rijksmuseum met hulp van de vereniging onder meer De heilige familie bij avond, Musicerend gezelschap, Zelfportret uit 1628, Tobias en Anna met het Bokje en Portret van Haesje Jacobsdr. van Cleyburg. Het Rijksmuseum heeft vaak met succes een beroep op de vereniging gedaan, ook voor belangrijke werken van zeventiende-eeuwse schilders als Aelbert Cuyp, Gerard van Honthorst, Hendrick Goltzius en Caesar van Everdingen.

Het zijn niet alleen de grote musea die van het fonds profiteren. De jaarverslagen vermelden ook 'Museum Dit is in Bethlehem' in Gorinchem dat twee zilveren kandelaars en een snuiter uit de 18de eeuw kon kopen en Het Huys ten Donck in Ridderkerk dat twee 18de-eeuwse tuinvazen rijker werd. “Ons criterium is dat de kunst van behoorlijk landelijk niveau moet zijn, maar als een regionaal museum een in die streek gemaakt stuk zilver kan kopen dat kwalitatief interessant is, wordt ook dat gehonoreerd”, zegt Koenigs.

Aanvragen van musea worden behandeld door het bestuur, dat bestaat uit veertien leken en kunstexperts, onder wie dr. W.A.L. Beeren, ex-directeur van het Stedelijk Museum, en prof. dr. H. van Os, nog tot 1 december directeur van het Rijksmuseum. Bij kunstvoorwerpen van topkwaliteit kan meestal snel worden beslist, zo mogelijk door het voltallige bestuur, bij twijfel weegt het oordeel van de experts zwaar. “Bij veilingen komen musea vaak op het laatste moment met hun aanvraag. Wanneer het heel dringend is, reageren wij daar als het kan binnen 24 en zeker binnen 48 uur op. Zo heeft het Mauritshuis een Hobbema kunnen kopen met onze steun en Boymans Belisarius ontvangt een aalmoes van de 17de-eeuwse Italiaanse schilder Mattia Preti”, aldus Koenigs. “Er zijn ook wel fouten gemaakt. In het verleden heeft de vereniging bijvoorbeeld Boymans gesteund bij de koop van de aan Vermeer toegeschreven De Emmäusgangers, die later een vervalsing van Van Meegeren bleek te zijn.”

Gemiddeld draagt de vereniging zo'n 40 procent van de aankoopprijs bij, tenzij het om hele hoge bedragen gaat. Vroeger was de vereniging afhankelijk van enkele rijke weldoeners die met gulle hand gaven als dat nodig was, tegenwoordig beschikt zij over een eigen kapitaal. Rente, contributies en giften, waaronder een jaarlijkse bijdrage van het Prins Bernhard Fonds van 1,2 miljoen, zorgen dat de vereniging in totaal zo'n twee miljoen per jaar heeft te verdelen. Uit bijzondere schenkingen en legaten wordt een pot gevormd voor incidentele aankopen.

“We hebben nu een redelijk vermogen, maar de prijzen zijn gestegen en de belastingdruk is veel groter geworden dan voor de oorlog”, zegt Koenigs. “Het geld zit niet meer als vroeger bij particulieren, maar bij bedrijven. Helaas is het moeilijk het bedrijfsleven te motiveren om steun te geven aan museale aankopen. Architecten mogen bij nieuwbouw een bedrag van 1 of 2 procent aan verfraaiing uitgeven. Het zou misschien een idee zijn als bedrijven een dergelijk percentage van het bedrag dat ze aan kunst besteden ter beschikking stelden van aankopen door musea.”