Drieduizend jaar Jeruzalem; Gekte in stad van drie geloven

Karen Armstrong: Jeruzalem, een geschiedenis van de Heilige Stad. Anthos, 530 blz., ƒ 59,50

Marcel Kurpershoek: Onzalig Jeruzalem. Meulenhoff, 223 blz., ƒ 34,90

Martin Gilbert: Jerusalem in the Twentieth Century. Chatto & Windus, 400 blz., ƒ 63,-

Agnès Levallois & Sophie Pommier: Jérusalem, de la division au partage? Editions Michalon, 202 blz., ƒ 41,-

Er zijn opwindende en slaapverwekkende steden, rustgevende en karakterloze steden, steden die je een slecht humeur geven en steden waar je je thuis voelt. De meeste boeken over steden geven geen antwoord op de vraag hoe dat komt. Zij beperken zich tot de geschiedenis of de buitenkant. Bij mijn weten hebben niet veel mensen pogingen gedaan steden karakterologisch in kaart te brengen. Misschien is de reactie per stad ook wel te persoonlijk.

Jeruzalem is een stad waar in elk geval van vaststaat dat mensen er heel uiteenlopend en tegelijkertijd uiterst emotioneel op reageren. Een prachtige stad, hoog in de heuvels van Judea, vol historische plaatsen en monumenten, fraaie vergezichten, bomen en groen, wijds, met een aangenaam klimaat en een bont mozaïek van verschillende geloofsgemeenschappen. Maar één wandeling door de stad is voldoende om de scheidslijnen te voelen tussen een Israëlisch en een Arabisch Jeruzalem, tussen de seculiere stad en de diverse religieuze gemeenschappen die zich elk met een ongekende felheid vastklampen aan hun heiligdommen. De scheidslijnen zijn zo scherp afgebakend dat een christelijke pelgrim vaak een totaal ander Jeruzalem ziet dan een met zionistische idealen behepte toerist of een VN-hulpverlener die zich bemoeit met de Palestijnen. En die verschillende Jeruzalems zijn soms zo beladen met emoties dat Jeruzalem een eigen ziekte kent van pelgrims en anderen die de confrontatie niet aankunnen. 'Jeruzalem-gekte' is een term voor het jaarlijks veelvoorkomende verschijnsel van bezoekers die na het zien van het Heilige Graf, Golgotha, de Via Dolorosa of de resten van de Tempel van Herodes in het ongerede raken en met spoed moeten worden opgenomen in een psychiatrische kliniek.

Uitgerekend van deze stad heeft de Britse Karen Armstrong geprobeerd wèl een karakterologische beschrijving te geven. Dat lijkt een onmogelijke opgave. Armstrong is echter niet voor een kleintje vervaard. Zij is een ex-non die na haar uittreden haar fascinatie met het geloof uitleefde in boeken over religie. Het laatste was A History of God uit 1994. De Nederlandse oud-hoogleraar godsdienstwetenschappen H.M. Kuitert zag er een intrigerende poging in tot beschrijving van de manier waarop het beeld van de godheid door de tijden heen met de mensheid mee is geëvolueerd en hoe beeldvorming en evolutie elkaar hebben beïnvloed.

Armstrongs Jeruzalem is een logische voortzetting van deze vorige zoektocht. In Jeruzalem gaat het niet om de wisselwerking tussen mens en godsbeeld, maar om de wisselwerking tussen mens en de stad die door de drie monotheïstische religies, jodendom, christendom en islam als heilige plaats werd geadopteerd. Het is geen echte geschiedenis van Jeruzalem in de ware zin. De ondertitel bij de Nederlandse vertaling, Een geschiedenis van de Heilige Stad, is minder geslaagd dan Armstrongs oorspronkelijke One City, three Faiths. Haar opzet is veel ambitieuzer dan een beschrijving van de manier waarop regimes elkaar opvolgden en hoe elke nieuwe bezetter/bezitter van Jeruzalem steeds een nieuwe laag bouwde over de ruïnes van de vorige eigenaars. Het gaat haar om de motieven waarmee dat gebeurde, hoe het begrip heiligheid in elk van de drie religies ontstond en hoe die verschillende opvattingen van heiligheid bepalend zijn geweest voor de ontwikkeling van de stad en tot op zekere hoogte voor de religies zelf.

Koning David

Dat klinkt, zo samengevat, misschien nog simpel. Maar Armstrongs boek is helemaal niet simpel. Het is een intellectueel hoogstandje, waarbij de transcendente werking van het symbool als een ui wordt afgepeld tot de essentie. Mij verging het zo dat veel onuitgesproken associaties en vragen die ik ooit ten aanzien van de stad had gehad, expliciet werden gemaakt.

Eén van haar gedurfde theses is dat de heiligheid van Jeruzalem is gegroeid met de ontwikkeling van het joodse beeld van één waarachtige God. In de tijd, 3000 jaar geleden, dat koning David het toenmalige vestingstadje Jeruzalem veroverde op de Jebusieten, was dat godsbeeld volgens Armstrong nog niet strikt monotheïstisch. David maakte Jeruzalem tot hoofdstad van de door hem verenigde koninkrijken Judea en Israel. Om dat hoofdstedelijke karakter te beklemtonen was het een logische stap om er een permanent onderkomen te bouwen voor de god van Abraham, Isaac en Jacob, die tot dan toe steeds in een tabernakel was meegereisd. Maar toen de tempel van Davids zoon en opvolger Salomo af was, was het even logisch dat er ook ruimte kwam voor de verering van andere goden, de Kanaänitische Baäl, of de Assyrische Marduk. Pas in de Babylonische ballingschap, vanaf 596 voor Christus, betoogt Armstrong, toen de door Nebukadnezar weggevoerde joden de noodzaak voelden in een vreemde omgeving als gemeenschap te overleven, werd een streng wettelijk fundament onder het joodse geloof aangebracht. Gemengde huwelijken werden taboe, JHWH werd de enige ware God, en zowel de persoonlijke gedragscodes als de regels voor de tempelcultus werden aangescherpt. De heiligheid van Jeruzalem ontstond paradoxaal genoeg in ballingschap, toen de stad zelf een woestenij was. Bij de terugkeer van de ballingen in 538 voor Christus werd dat in praktijk gebracht.

Later, nadat de strenge opvatting van heiligheid de bron was geworden van talloze conflicten, onder de joden zelf zowel als met de Helleense en Romeinse overheersers, en nadat de Tweede Tempel in 67 na Christus als gevolg daarvan door de Romeinse keizer Titus was verwoest, volgde een transformatie naar een rabbijns jodendom. Daarin werd de tempelcultus vervangen door een heiliging thuis of in de synagoge. Jeruzalem bleef voortleven als symbool. Maar terugkeer ernaar en eventuele herbouw van de Tempel werden vrome wensen, verbonden met de hoop op een betere wereld en de komst van de messias.

Christenen namen de vlam over. Armstrong meent dat het christendom in de beginfase vooral een geloof was dat zich van zijn universele karakter bewust was en geen plaatsgebonden symbolen nodig had. Onder de stichter van het oost-Romeinse Rijk, Constantijn de Grote, ontstond echter een beweging naar het zoeken van heilige plaatsen, door de keizer aangemoedigd omdat symbolen de eenheid van het rijk konden versterken. Graafwerk onder de voor dat doel afgebroken tempel van Aphrodite leverde een graf op dat onmiddellijk tot Heilig Graf werd uitgeroepen. Dat werd het begin van de verheerlijking van het lijden en sterven van Christus, de christelijke relikwieën-cultus en een christelijke bezitsdrang. Die bereikte zijn droevige dieptepunt met de invasie van hordes onvoorstelbaar bloeddorstige, en vergeleken met de toenmalige moslim-heersers barbaarse, kruisvaarders.

Ruzies

Opmerkelijk is dat Armstrong weinig goede woorden over heeft voor de intolerante christelijke omgang met de Heilige Stad die tot op de dag van vandaag tot onverkwikkelijke ruzies tussen de diverse christelijke denominaties leidt bij het beheer over de heilige plaatsen. Veel lovender is zij over de diverse moslim-heersers die enkele van de fraaiste monumenten aan de stad toevoegden om hun aanwezigheid kenbaar te maken in deze derde heilige moslim-plaats (na Mekka en Medina), maar daarbij de andere geloven in hun waarde lieten. Uit haar impliciete veroordeling van cultureel en religieus imperialisme vloeit ook voort dat zij weinig goede woorden over heeft voor de wijze waarop in het huidige Israel niet meer op de komst van de messias wordt gewacht en om de stad via een ingewikkeld stelsel van 'masterplannen' ten koste van de Arabische bevolking te verjoodsen. De Israelische viering, dit jaar, van de inname van de stad door koning David, heeft in dat opzicht een onmiskenbaar politieke lading en wordt om die reden ook door vertegenwoordigers van de EU en de VS gemeden. Armstrong wijst er echter fijntjes op dat juist het voorbeeld van David leerzaam is: hij kocht van Arauna de Jebusiet een dorsvloer op de berg Moria om er later een tempelcomplex op te laten zetten, maar liet de Jebusieten en hun eigen cultus verder ongemoeid.

Het drieduizendjarig bestaan van de Heilige Stad heeft meer boeken opgeleverd. Onzalig Jeruzalem van de diplomaat en Arabist Marcel Kurpershoek sluit aan bij het boek van Armstrong. Alleen behandelt hij dezelfde thema's op een journalistieke manier en uit een hedendaags perspectief. Kurpershoek beschrijft onder andere de pogingen van een ultrarechtse organisatie als Ateret Kohaniem, die probeert zoveel mogelijk gebouwen in het arabische gedeelte van de stad in joodse handen te krijgen, de ruzies tussen franciscanen, grieks-orthodoxen, Armeniërs, Ethiopiërs en Kopten in de Heilig Grafkerk en hij schildert fundamentalistische joden en christenen en het ijveren van diverse soorten wereldverbeteraars. Voor de historische uitleg leunt hij zwaar op het magistrale Jerusalem van de jezuïet F.E. Peters (Princeton University Press, 1985). Kurpershoek schreef een leesbaar, humoristisch verslag, dat soms deed denken aan een uitspraak van de Israelische schrijver Amos Oz, dat “nergens ter wereld zo'n concentratie van gekken en idioten te vinden is als in Jeruzalem”.

Jerusalem in the Twentieth Century van de Britse historicus Martin Gilbert is van een andere orde. Het is een magistraal geschiedenisboek over de ontwikkeling van het ingeslapen provinciestadje in de nadagen van het Ottomaanse Rijk tot nu toe. Gilberts kracht schuilt in de manier waarop hij uit de minitieuze weergave van details en uit 'documents humains' een totaalbeeld van een ontwikkeling weet op te bouwen. Onder zijn handen groeit de stad gebouw voor gebouw en straat voor straat. Uit zijn verhaal wordt ook duidelijk hoe de politieke en militaire ontwikkelingen bij de geboorte van Israel in 1947-48 onontkoombaar tot een deling van de stad moesten leiden.

Modus vivendi

Jammer vind ik dat Gilbert zich in de hoofdstukken over de periode van na de Juni-oorlog van 1967 en de inname van Oost-Jeruzalem door de Israeli's wat erg laat leiden door het beeld van de 'liberale' aanpak van de beroemde burgemeester Teddy Kollek. Bij Armstrong en Kurpershoek valt te lezen hoe Kollek al enkele dagen na de inname van het oostelijke deel de toon zette voor een verjoodsing van het bestuur door het wegbulldozeren van de eeuwenoude Maghrebi-wijk ten behoeve van een immens plein bij de Klaagmuur en door het onceremonieel wegsturen van het stadsbestuur van het Arabische deel.

Jérusalem, de la division au partage? ten slotte is een boekje dat zich vrijwel uitsluitend richt op de politieke kanten van het probleem en onder andere de diverse standpunten en oplossingen in kaart brengt, aangevuld met een overzicht van de relevante documenten. Een boekje dat draait om de constatering dat het vinden van een modus vivendi waarin zowel Israeliers als Palestijnen zich kunnen vinden wel eens de sleutel zou kunnen zijn voor een vreedzame joods-Arabische coëxistentie in de toekomst. Dat lijkt een logische opmerking. Maar helaas, in Jeruzalem moet de logica wel vaker wijken voor de macht van het symbool.