Delende cellen

Vroeger herkende je kinderen met kanker aan hun kale hoofd, maar tegenwoordig lopen er gabbers en skinheads met kale koppen rond zonder dat ze kanker hebben. Niet iedereen die je met een kaal hoofd op straat ziet is dus een kankerpatiënt. Kankerpatiënten krijgen hun kale hoofd niet van de kanker maar van de geneesmiddelen om te genezen van de kanker.

Kanker is een rare ziekte. Kanker begint als één van de miljarden lichaamscellen waar je uit bestaat gaat delen en er niet meer mee ophoudt. Normaal gesproken delen overal in je lichaam een heleboel cellen. Op plaatsen waar je moet groeien, of waar oude cellen zijn opgebruikt, daar delen cellen. Eén cel deelt zich in twee cellen. Als die weer delen heb je er vier en als die allemaal weer delen heb je er acht. Cellen die vaak delen heb je bijvoorbeeld aan de binnenkant van je darmen, of in de huidzakjes waar je haren uit groeien, of in het beenmerg binnen in je botten. In je botten worden de witte en rode bloedcellen gemaakt. Van die bloedcellen heb je er miljoenen en ze gaan maar een paar weken mee, dus maak je er elke dag flink wat bij.

Als je groeit delen er alleen cellen op plaatsen waar dat nodig is. Je botten worden langer en je hart, lever, spieren en pezen groeien vervolgens ook een stukje. Maar je neus wordt niet steeds langer en je oren blijven meestal ook niet doorgroeien. Anders zou iedereen met Pinokkio-neuzen en Marsman-oren rondlopen. Maar soms gaat het mis en gaat ergens in een lichaam een cel delen zonder dat hij een seintje krijgt om dat te doen. Daar begint kanker. Alle nakomelingen van die ene delende cel, delen ook steeds weer. De delende kankercellen reageren niet op de stop-met-delen-boodschappen van je lichaam. Ze zijn doof, blind, nemen de telefoon niet op en maken de post niet open. Ze doen precies wat ze zelf willen. Gebeurt dat vaak? Bij kinderen niet. Oudere mensen krijgen wel vaak kanker. In Nederland krijgen ieder jaar 600 kinderen onder de 20 jaar kanker. Dat lijken er veel, maar het zijn er zo weinig dat het best kan zijn dat je nooit een kind met kanker tegenkomt. Van alle mensen ouder dan 60 jaar krijgen er ieder jaar bijna 45.000 kanker.

Is het niet vreemd dat wildgroeiende cellen vooral voorkomen bij mensen die niet meer groeien, terwijl bij groeiende kinderen alle cellen zich keurig netjes gedragen? Nee, dat is niet zo vreemd, want cellen die ongeremd aan het delen slaan zijn altijd ernstig beschadigd. Die beschadigingen ontstaan tijdens je leven door radioactieve straling, of door zonlicht, of door chemische stoffen, vaak zitten die gewoon in het eten. Meestal moet je jaren leven voordat een cel zo erg beschadigd is dat hij ongeremd gaat delen. En dan duurt nog wel tien tot dertig jaar voor die ene cel een klompje cellen is van een paar millimeter grootte. Zelfs dan merk je zo'n verkeerd klompje vaak nog niet eens. Kinderen die kanker krijgen hebben de ontzettende pech dat bij hen snel een steeds delende cel ontstaat.

Waarom dat gebeurt weet niemand. Het is vaak een wildgroei van een soort cellen die normaal alleen bestaat bij baby's als ze nog heel klein in hun moeders buik groeien. Die cellen moeten eigenlijk al ver voor de geboorte verdwenen zijn. Blastomen heten die kankers en ze kunnen op allerlei plaatsen groeien: in hoofd, zenuwen, nieren en lever. Oude mensen krijgen bijna nooit blastomen. Verder krijgen kinderen vaak leukemie. Dat is kanker van de witte bloedcellen die in het beenmerg worden gemaakt. Je krijgt er verkeerd bloed van en wordt ziek. Kinderen met leukemie krijgen meestal chemotherapie. Andere kankers worden vaak eerst geopereerd en daarna met chemotherapie behandeld. Bij chemotherapie krijg je giftige geneesmiddelen ingespoten waar vooral delende cellen dood van gaan. Niet alleen de kankercellen gaan dan dood, maar ook het beginstukje van je haren, waardoor ze helemaal uitvallen. Van chemotherapie worden kankerpatiënten eerst behoorlijk ziek, maar van iedere vijf kinderen die kanker krijgen blijven er daardoor gelukkig wel vier leven. Ook hun haar groeit weer aan.