De samenleving voor mensen verklaard

Abram de Swaan: De Mensenmaatschappij. Een inleiding. Bert Bakker, 164 blz., ƒ 29,90

Een van de meest voorkomende woorden in het nieuwe boek van Abram de Swaan, De mensenmaatschappij, is mensen. De auteur heeft een voorliefde voor zinnen als: 'Mensen trouwen en krijgen kinderen, die op hun beurt aangewezen zijn op de ouders'. Of: 'Mensen moeten veel leren en ook heel veel afleren om met elkaar te kunnen samenleven'.

Daar moet je even aan wennen. Doordat steeds gemeld wordt dat het in deze inleidende beschouwing om mensen gaat, lijkt De Mensenmaatschappij soms wel op een antropologische gids voor zojuist gelande Marsbewoners. Die zouden met dit boek overigens zeer hun voordeel kunnen doen. Toch heeft die voortdurende herhaling ook voor aardbewoners een belangrijke didactische functie: zij dwingt tot de gedistantieerde houding die in de sociale wetenschap nodig is. Dat onderwerp en beoefenaar tot dezelfde soort behoren is namelijk geen geringe handicap. Het belangrijkste gevaar is wel dat allerlei interessante sociale mechanismen als 'vanzelfsprekend' over het hoofd gezien worden. Eerdere generaties sociologen probeerden die handicap te overwinnen door een muur van begrippen en categorieën tussen lezer en samenleving op te trekken. Wie de vroeger veel gebruikte inleidingen 'Van Doorn en Lammers' of 'De Jager en Mok' moest bestuderen, leerde de definities uit zijn hoofd en meende dan dat wetenschappelijk denken over de samenleving een kwestie was van het vaardig hanteren van de basisbegrippen. Goudsblom heeft er in een van de eerste recensies van Van Doorn en Lammers' Moderne Sociologie op gewezen dat dit boek bij al zijn taxonomisch vernuft vergeet zijn lezers op de hoogte te brengen van het feit dat er twee soorten mensen bestaan: mannen en vrouwen.

Dat risico loopt de lezer van De Mensenmaatschappij niet. De Swaan legt het allemaal uit en de vragen die hij behandelt zijn van de hoofdstuktitels af te lezen. Het eerste hoofdstuk heet: 'Wat mensen van elkaar nodig hebben', het tweede 'Hoe mensen onderling verbonden zijn', het derde 'Wat mensen van elkaar verwachten', enzovoorts. In de hoofdstukindeling zit een ontwikkeling. De eerste hoofdstukken zijn elementair en fundamenteel, de laatste, die over organisatie, staatsvorming en mondialisering gaan, vormen een nadere uitwerking van de principes die in de eerste hoofdstukken zijn behandeld. Tegelijkertijd is er een historische ontwikkeling aan af te lezen, die zich op verschillende niveaus voltrekt en die ook in de afzonderlijke hoofdstukken terugkeert en een verklarende functie vervult. Het niveau van de evolutie van de mensheid, dat van de ontwikkeling die ieder afzonderlijk mens in zijn leven doormaakt, en dat van de geschiedenis van de samenleving: van de eerste agrarische nederzettingen tot aan de wereldwijde verspreiding van MTV. En passant toont De Swaan daarmee aan hoe groot de verhelderende kracht is van de benadering die in het algemeen 'historische sociologie' wordt genoemd, maar die steeds meer neerkomt op een synthese van geschiedenis, economie en sociologie.

In De Mensenmaatschappij gebeurt veel en passant. De nog niet ingewijde lezer leest een helder en origineel boek over de samenleving, waarin tot zijn blijdschap noten ontbreken en waarin de samenleving gelukkig veel meer aandacht krijgt dan de sociologie. De socioloog fluit af en toe tussen zijn tanden van bewondering voor het speelse gemak waarmee De Swaan erin slaagt de inzichten van Norbert Elias, Max Weber, Adam Smith, Mancur Olsen, Richard Dawkins, Erving Goffman en vele anderen in één overtuigend betoog onder te brengen, en daaraan ook nog het zijne weet toe te voegen (zoals de door hem in Zorg en de Staat ontwikkelde collectiviseringsthese). Dit boek zou op elke middelbare school verplicht moeten zijn.