De Poolse dichteres Wisawa Szymborska krijgt de Nobelprijs voor literatuur; Zwieren en je evenwicht bewaren

Buiten Polen kennen weinigen de gedichten van Wisawa Szymborska, in eigen land is ze bekend en geliefd bij publiek, critici en collega's. Maar Szymborska vindt aandacht al snel overdreven: “Toen Czesaw Miosz vier dagen voor haar aangekondigde vertrek telefonisch een tweede ontmoeting wilde voorstellen, bleek Wisawa voortijdig vertrokken. Zo deed ze wel vaker om niet lastig te worden gevallen.”

In Nederlandse vertaling verschenen tot nu toe:

Wisawa Szymborska: Gedichten. Keuze, nawoord en vertaling Pim van Sambeek, De Lantaarn, Leiden 1983, i.s.m. Pools Nederlandse Culturele Vereniging.

Enkele losse gedichten in de bloemlezingen Een gevecht om lucht, vertaling Jan-Willem Overeem en Ewa Dijk-Borkowska, Corrie Zelen 1979 en Poolse poëzie 1826, 1976-1986, vertaling Karol Lesman, Stichting Perdu 1986, samengesteld door Gerard Rasch, Amsterdam, i.s.m. Pools Nederlandse Culturele Vereniging.

Recentelijk verscheen een tiental gedichten van Wisawa Szymborska in een vertaling van Jo Govaerts in Optima en Nieuw Wereld Tijdschrift.

Bij uitgeverij Meulenhoff verschijnt volgend voorjaar een nieuwe bundel met poëzie van Wisawa Szymborska, vertaling Gerard Rasch.

Van de vier bekendste naoorlogse Poolse dichters bezochten er in de afgelopen jaren drie Poetry International: Zbigniew Herbert, Czesaw Miosz en Tadeusz Rózewicz. Met de enige vrouw van het viertal, Wisawa Szymborska, heeft de Nederlandse poëzieliefhebber nog geen kennis kunnen maken. Dat ligt niet zozeer aan de organisatie van het Rotterdamse festival als wel aan de weerstand die de grande dame van de Poolse literatuur moet overwinnen om verre reizen te maken. Bovendien schrikt deelname aan grote literaire manifestaties haar af. Ze blijft bij voorkeur in eigen land en daar zou ze het liefst een klein gezelschap van tien mensen willen voorlezen. Maar ook al neemt ze zich dat voor, ze kan er zeker van zijn dat de zaal altijd bomvol zit.

Wat ze in Wieczór autorski (Voorleesavond) uit Sól (Zout, 1962) schreef, zal ze dan ook, bescheiden als ze is, niet uit haar eigen ervaring hebben geput. Eerder heeft ze haar bezorgdheid willen tonen dat de poëzie bezig is de strijd tegen de massacultuur te verliezen:

O Muze, geen bokser zijn betekent helemaal niet zijn. Je onthoudt ons een schreeuwend publiek. Er zitten twaalf man binnen, 't is nu tijd dat we beginnen. De helft is gekomen omdat het

regent, de rest is familie. o Muze. Eigenlijk is Wisawa Szymborska ook helemaal geen 'grande dame', maar een eenvoudige mevrouw die je eerder in de rij bij Albert Heijn in de Spaarndammerstraat in Amsterdam-Oud West tegenkomt dan op het bejubelde podium van de Doelen in Rotterdam. Of op een bank in de Planty in Kraków, waar ze vanonder haar hoofddoekje met een eeuwig guitige en schrandere blik de eendjes in de vijver gadeslaat, terwijl zich in haar hoofd al een gedicht vormt over 'de vreugde van het schrijven'. Al vijfenzestig jaar woont ze in Kraków, waar ze ooit haar Zweedse vertaler bij hun eerste ontmoeting de volgende ontboezeming ontlokte: “Toen ik Wisawa Szymborska in Kraków ontmoette dacht ik meteen: met deze vrouw zou je moeten dansen. Nu ik een keuze uit haar gedichten heb vertaald, zie ik wat ik heb gedaan: ik heb gedanst. En ik voel me niet uitgeput, eerder herboren. De dansen van Szymborska [...] zijn geen walsen [...], geen tango's [...], ze hebben andere namen, bijvoorbeeld 'De hemel', 'Kleren', 'Utopia'. En ze hebben het voordeel, dansen eigen, dat ze je in staat stellen onder het zwieren je evenwicht te bewaren.”

Wisawa Szymborska werd op 2 juli 1923 geboren in Kórnik, een klein plaatsje in het westen van Polen onder de rook van Poznan. Op achtjarige leeftijd vertrok ze met haar ouders naar Kraków waar ze tot op de dag van vandaag woont op een tweekamerflatje in het centrum, net even buiten de oude stad. Direct na de Tweede Wereldoorlog ging ze Poolse taal- en letterkunde en sociologie studeren aan de Jagiellonenuniversiteit. In 1945 debuteerde ze in Dziennik Polski, een plaatselijke krant, met het gedicht Szukam sowa (Ik zoek een woord). Haar eerste poëziebundel verscheen in 1952 onder de titel Dlaczego zyjemy (Waarom leven wij).

De invloed van het socialistisch realisme, dat in die jaren het literaire leven in vaste banen probeerde te leiden, was in haar eerste gedichten nog gedeeltelijk voelbaar, maar Wisawa Szymborska is nooit een duidelijke exponent van deze stroming geweest. In haar tweede bundel, Pytania zadawane sobie (Aan mijzelf gestelde vragen, 1954), de titel duidt er al op, maakt het politieke engagement (in een tijd dat de strenge regels van de Nieuwe Kunst nog steeds van kracht waren) langzamerhand plaats voor een meer persoonlijke, dichterlijke houding. De kritieken waren lovend en prezen met name Szymborska's taalkundig vernuft en humor, zelfs in gedichten waarin nog sprake was van politieke betrokkenheid.

Inmiddels vulde ze een vaste rubriek met de naam Lektury nadobowiazkowe (Niet verplichte lectuur) in het bekende Krakówse literaire weekblad Zycie Literackie (Het Literaire Leven), waar ze als poëzieredactrice werkte. Deze poëtische feuilletons, die niet alleen aan poëzie zijn gewijd, schrijft ze nog steeds, nu om de twee weken voor de literaire bijlage van de grootste Poolse krant Gazeta Wyborcza. Daarvan zijn onder dezelfde naam inmiddels drie gebundelde uitgaven verschenen. Precies zoals in haar poëzie alles in haar omgeving aanleiding kan zijn voor het schrijven van een gedicht, zo bespreekt zij in deze mini-essays boeken op allerlei gebied: over het kweken van appelbomen, het inrichten van een huis, vlinders, een afkortingenwoordenboek. Met dezelfde ontwapenende eenvoud die haar poëzie kenmerkt, benadert ze de behandelde onderwerpen, ook de moeilijkheden die een torenvalk ondervindt bij het bouwen van zijn nest in de nok van een in socialistisch-realistische stijl opgetrokken gebouw.

Met de publicatie in 1957 van Woanie do Yeti (Het aanroepen van Yeti) werd duidelijk dat Szymborska haar eigen stem had gevonden. En haar publiek. Ze kon inmiddels rekenen op een aanzienlijke groep toegewijde lezers en ook de literaire kritiek zou voortaan elk nieuw boek van haar met groot enthousiasme begroeten. Sindsdien wordt er steeds reikhalzend uitgezien naar haar volgende bundel, waarvan er, los van de bloemlezingen, tot nu toe negen zijn verschenen. Bij elkaar omvat haar gehele poëtische oeuvre nog geen tweehonderd gedichten.

Haar populariteit dankt Szymborska in de eerste plaats aan de grote leesbaarheid van haar vaak anekdotische teksten. In vrijwel elk gedicht weet Szymborska de lezer te verschalken met een trefzekere pointe. Het zijn subtiele, schijnbaar oppervlakkige gedichten die op lichte toon alledaagse kwesties onder de aandacht van de lezer brengen. Ze schrijft vrije verzen en als ze al rijmen, dan is dat rijm even verrassend als de pointe aan het slot. Het ritme van haar gedichten is het natuurlijke gevolg van hun lichtvoetigheid.

In zekere zin zet zij een literaire traditie voort die vóór de Tweede Wereldoorlog was gevestigd door de dichtersgroep rond het tijdschrift Skamander. Daarin stonden mensen als Julian Tuwim, Jarosaw Iwaszkiewicz en Jan Lechon poëzie voor die zich afzette tegen een literatuur die honderdachtentwintig jaar lang de zaak van de Poolse onafhankelijkheid had gediend. Kenmerk van deze lichtvoetige poëzie was met name een subtiel woordenspel en een glasheldere melodie. Met deze poëtica kwamen zij lijnrecht te staan tegenover de literaire avant-garde uit het begin van het interbellum, die vormexperimenten paarde aan een pessimistische wereldbeschouwing. Ook Szymborska ervaart de bitterheid van de vervreemding en de onvervulbaarheid van het menselijk verlangen. Ook bij haar leeft het gevoel van bedreiging, van onmacht van de mens om de ander te begrijpen, omdat hij niet wil luisteren. Maar nooit is er sprake van existentiële verwondering zonder die vorm van lichte spot, waarmee ze haar soms sombere boodschappen aan haar lezer wil doorgeven. Het lijkt soms wel of ze hem op die manier wil opbeuren, want ondanks alles bewaart Szymborska het geloof in algemeen menselijke waarden. In haar poëzie blijft ze de wereld onbevangen en met open vizier tegemoet treden, ook al weet ze dat ontgoocheling op de loer ligt. Ze heeft een gloeiende hekel aan pathos die ze waar ze maar kan bestrijdt met het wapen van de ironie.

Een gelukkige liefde. Is dat

normaal, is dat serieus, heeft het nut - wat heeft de wereld aan twee

mensen, die de wereld niet zien?

Uit Miosc szczesliwa, (Een gelukkige liefde) in: Wszelki wypadek (Ieder geval), 1972.

Worden haar filosofische bespiegelingen nergens wrang, ook de door haar bedachte kwinkslag is nooit louter als woordgrap bedoeld en elke verrassende wending dient om de onheilstijding te verzachten of om met des te meer overtuiging tegen haar lezer te kunnen zeggen wat ze te zeggen heeft, zoals in Wietnam:

Hé vrouw, jij daar, hoe heet je? - Weet ik niet. Wanneer ben je geboren, waar kom je vandaan? - Weet ik niet. Waarom heb je een kuil gegraven? - Weet ik niet. Sinds wanneer verschuil je je hier? - Weet ik niet. Waarom heb je mij in mijn middelvinger gebeten? - Weet ik niet. Weet je dat we je geen kwaad zullen doen? - Weet ik niet. Aan wiens kant sta je? - Weet ik niet. Het is nu oorlog, je moet kiezen - Weet ik niet. Bestaat jouw dorp nog? - Weet ik niet. Zijn dit jouw kinderen? - Ja.' Uit Sto pociech (Dikke pret) 1967.

De soms quasi-wetenschappelijke houding en de daaraan verwante neiging tot zelfspot van de dichter verhoogt het komische effect en versterkt het parodiërende karakter van Szymborska's poëzie, die men op een bepaalde manier naïef zou kunnen noemen. Maar dan naïef in de zin van de vroeg-renaissance-schilderkunst van de Italiaanse meesters en als antwoord op de vooroorlogse controverse tussen het doemdenken van de catastrofisten en de vrijblijvende poëzie voor-de-man-in-de-straat van de Skamandrieten.

Met enige schroom schreef ze ooit zelf in een woord vooraf bij een bloemlezing uit 1967 over haar eigen gedichten: 'Moet je zien hoeveel uiteinden die stok heeft, riep Montaigne ooit uit. Het is me volstrekt om het even of hij deze woorden in verzen dan wel in proza uitsprak. Het gaat erom dat hij voor zijn verwondering woorden vond die je niet gemakkelijk vergeet. Nee, ik heb geen poëtisch programma... Het enige wat ik heb is dit motto, als het onovertroffen model van de schrijfkunst en de aanhoudende prikkel tot het met de gedachte overschrijden van de vanzelfsprekendheid.' En Radosc pisania (De vreugde van het schrijven) uit datzelfde jaar besluit ze met: De vreugde van het schrijven. De macht van het vereeuwigen. De wraak van een sterfelijke hand. Toen na de afkondiging van de staat van beleg in Polen in 1981 de officiële schrijversbond en het betrekkelijk onafhankelijke Krakówse literaire tijdschrift Pismo (Het geschrift) werden verboden, was het gedaan met de geringe vrijheid van meningsuiting. Als reactie hierop werd op 14 december 1983 de eerste 'Nagos' (Hardop) gehouden. Op deze onofficiële, openbare bijeenkomst konden schrijvers voorlezen uit de werken die ze nergens konden publiceren. Die eerste bijeenkomst werd geopend met het gedicht 'Gos w sprawie pornografii' ('Een stem inzake de pornografie', uit de bundel Ludzie na moscie, 'Mensen op een brug', die uiteindelijk in 1986 zou verschijnen). Wisawa Szymborska las het zelf voor. Ze zou nog vaak op deze avonden haar nieuwe gedichten voorlezen en toen 'Hardop' een (tot op de dag van vandaag) onregelmatig verschijnend literair tijdschrift werd, nam Wisawa Szymborska zitting in de redactieraad.

In de regel geeft Wisawa Szymborska geen interviews en ondanks de gave om een gezelschap te vermaken, leidt ze een teruggetrokken bestaan. Een jaar of drie geleden ontmoette ze bij een stadgenote voor het eerst Czesaw Miosz, die onmiddellijk met haar een gesprek aanknoopte over een andere Poolse dichteres, Anna Swirczynska. Ondanks een door dit weinig tactvolle optreden van de oude meester wat stroeve begin van deze kennismaking kwamen beide dichters na verloop van tijd wat nader tot elkaar. Bij haar vertrek gaf Szymborska te kennen de drieëntwintigste van die maand de stad uit te zullen gaan. Toen Miosz vier dagen voor het aangekondigde vertrek telefonisch een tweede ontmoeting wilde voorstellen, bleek Wisawa voortijdig vertrokken. Zo deed ze wel vaker om niet lastig te worden gevallen. Toen ze een week later weer thuis was ging de telefoon. Het was Miosz die belde. Ze nam op en zonder te wachten op de aankondiging aan de andere kant van de lijn, sprak ze op gelijkmatige toon de woorden: 'Pomyka..., pomyka....' ('Verkeerd verbonden..., verkeerd verbonden...') in de hoorn.

Gisteren, toen de winnaar van de Nobelprijs voor literatuur 1996 bekend werd gemaakt, wist niemand waar Wisawa Szymborska was. Sommigen beweerden dat ze in een schrijvershuis in Zakopane verbleef, aan de voet van de Tatra, nog geen honderd kilometer ten zuiden van Kraków. Ze zou de twintigste oktober weer naar Kraków terugkeren. Maar waarschijnlijk zat ze donderdagmiddag gewoon thuis en ging om één uur de telefoon. Nog voor de stem uit Stockholm iets kon zeggen zal Wisawa met monotone stem al in de hoorn hebben gesproken: Pomyka..., pomyka...'

---------------------

Herfsttij van de eeuw

Hij had beter moeten zijn dan de voorafgaande

die twintigste eeuw van ons. Dat haalt hij niet meer

zijn jaren zijn geteld

zijn tred wankel

zijn adem kort.

Er is al te veel gebeurd

dat niet had moeten gebeuren

en wat had moeten komen

kwam niet.

Hij had de lente moeten brengen

en geluk, onder meer.

Angst had de bergen en de dalen moeten verlaten.

De waarheid had sneller dan de leugen

af moeten gaan op haar doel.

Een paar kwaden hadden

niet meer moeten geschieden

bijvoorbeeld oorlog

en honger enzovoort.

Geacht zouden moeten worden

de weerloosheid der weerlozen

vertrouwen en dergelijke.

Wie zich over de wereld had willen verheugen

staat voor een opgave

die onuitvoerbaar is.

Domheid is niet om te lachen.

Wijsheid is niet vrolijk.

Hoop

is niet langer dat jonge meisje

et cetera, helaas.

God had eindelijk moeten geloven in de mens -

goed en sterk

maar goed en sterk

zijn nog steeds twee mensen.

Hoe moet ik leven - werd me in een brief gevraagd

door iemand die ik van plan was

datzelfde te vragen.

Opnieuw en zoals altijd

zo ziet men maar weer

bestaan er geen dringender vragen

dan naieve vragen.

Vertaling Karol Lesman (ongepubliceerd)

-----------------------

Over de dood zonder overdrijven

Hij heeft geen gevoel voor humor

en geen verstand van sterren, van bruggen

van weven, van mijnbouw, van het boerenbedrijf

van het bouwen van schepen en het bakken van brood.

In onze gesprekken over plannen voor morgen

mengt hij zijn laatste

misplaatste woord.

Hij heeft niet eens in zijn vingers

wat direct met zijn beroep te maken heeft:

een graf delven

een doodskist in elkaar timmeren

de rommel opruimen.

Als hij bezig is met doden

doet hij dat onhandig

zonder systeem of behendigheid.

Alsof hij het bij ieder van ons nog moet leren.

Hij mag dan triomf op triomf behalen

maar hoeveel nederlagen waren er niet

mislukte klappen

en hernieuwde pogingen!

Soms ontbreekt hem de kracht

om een vlieg uit de lucht neer te halen.

Tegen menige rups

verliest hij een snelheidswedstrijd in kruipen.

Al die knollen, peulen

voelsprieten, vinnen, luchtpijpen

bronstveren en wintervacht

getuigen van het achterstallige

in zijn norse arbeid.

Kwade wil is niet voldoende

en zelfs onze hulp in oorlogen en revoluties

schiet, tot nu toe, tekort.

Harten kloppen in eieren.

Geraamtes van zuigelingen groeien.

Zaadjes zorgen voor de eerste twee blaadjes

en brengen het ook vaak tot hoge bomen aan de horizon.

Wie beweert: hij is almachtig

is zelf het levende bewijs

dat hij niet almachtig is.

Er is geen leven

dat al was het maar voor even

niet onsterfelijk was.

De dood

komt steeds dat ene moment te laat.

Tevergeefs rukt hij aan de klink

van onzichtbare deuren.

Wat iemand heeft bereikt

kan hij hem niet meer ontnemen.

Vertaling Karol Lesman (ongepubliceerd)