VS zijn tweeslachtig in walvisjacht

De eigenaardige logica in de discussie over walvisvaart komt prachtig naar voren in de “nuanceringen” van Kees Lankester (NRC Handelsblad, 13 september) op mijn eerdere artikel over de Japanse kijk op walvisvaart. “Voor de Nederlandse delegatie is het overduidelijk dat de jacht in Japan niet die van een inheems volk is voor eigen levensonderhoud”, aldus Lankester.

Op de letter genomen staat hier dat Japanners niet inheems zijn in Japan en dat een Japanse walvisvaarder zijn werk niet doet om in zijn levensonderhoud te voorzien. De vraag rijst: waarvoor dan wel?

Het moge duidelijk zijn dat er in het citaat niet staat wat er staat. Maar de zin is cruciaal als de Nederlandse weergave van aboriginal subsistence whaling, de uitzondering die de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) erkent op het moratorium op de vangst van een aantal walvissoorten. Lankester, wetenschappelijk adviseur van Nederland in de IWC, richt zich in zijn betoog tegen een mogelijke toepassing van deze formule op de Japanse situatie.

Met bovenstaande formule staat de IWC toe dat bijvoorbeeld eskimo's in Alaska de Groenlandse Walvis vangen, die sterk in aantallen is afgenomen. Terwijl de IWC elk jaar het verzoek van Japan afwijst om toestemming voor het vangen van 50 dwergvinvissen, te vangen door de laatste negen kleine kustwalvisvaarders die in het land over zijn. Deze dwergvinvis is geheel onbedreigd maar valt om de een of andere reden toch onder het moratorium.

“De discussies in de IWC gaan helemaal niet over een verantwoord gebruik van natuurlijke voorwaarden”, zei Yoji Kita, jaarlijks bezoeker van de conferenties van de IWC. Lankester illustreert dit uitstekend met zijn betoog waarin hij zich concentreert op het afschilderen van Japan als een modern land. Het feit dat Japan modern en geïndustrialiseerd is, dat de economie op kapitalistische basis functioneert, lijkt me algemeen bekend. Maar voor de heer Lankester is het blijkbaar de ontbrekende “nuancering” in mijn eerdere verhaal.

Het zou toch vreemd zijn als met deze modernisering van Japan niet ook de kustwalvisvaart zich had gemoderniseerd. Lankester doet bij een bezoek aan een vanouds walvisvarend dorp de verrassende constatering: “Een doorsnee dorp in een industrieel land.” Mevrouw Misaki, van het Instituut voor Walvisonderzoek in Tokio, deed bij de walvisvaarders in Alaska dezelfde constatering: Goed gevulde supermarkten en jeugd die op sneeuwscooters rond rijdt. Maar dit soort constateringen hebben weinig met walvispopulaties te maken.

“Commerciële druk op natuurlijke rijkdommen heeft vele levenstijlen de das omgedaan”, aldus Lankester. Zonder twijfel, maar weer vraag ik me af wat het verband is met het verbieden van de vangst van een onbedreigde walvissoort. Ook Japan kent visquota en daar tegen protesterende vissers. Natuurlijk is Japanners niets menselijks vreemd. Het is slechts des te meer reden voor een gecontroleerde vangst.

De enige conclusie die vanuit Japan gezien overblijft is: de anti-walvisvarende landen meten met twee maten. Enerzijds zetten de Verenigde Staten zich in voor de walvisvangst door eskimo's; dit jaar stonden ze bovendien op het punt een verzoek in te dienen voor indianen in de staat Washington. Anderzijds leiden ze de campagne tegen Japan. Ook al jagen Japanners evenals eskimo's en indianen sinds mensenheugenis op walvissen.

Ik schreef over de Japanse kijk op walvisvaart. Als Greenpeace Japan, ook al zijn ze tegen walvisvangst, mij zegt dat de organisatie zich heeft “verstrikt” in de discussie, dan staat voor de heer Lankester “gespeend van nuance en goede journalistiek” blijkbaar gelijk met het ontbreken van zijn eigen, Nederlandse visie. Als hij iets impliceert met het “blijkbaar succesvol” zijn van de “lobby van commerciële walvisjagers” dan graag met naam en toenaam.