Ruwnat, enkelnat, bestnat

Heel Schiedam leefde ervan. In de glorietijd, rond de eeuwwisseling, waren er wel vierhonderd branderijen en distilleerderijen en wie niet rechtstreeks in de jeneverstokerij werkte, droeg er wel aan bij als mandenvlechter, kistenmaker, flessenblazer of zakkendrager. Er waren zelfs kruikenruikers: die moesten snuffen of er geen olie had gezeten in de stenen kruiken die de herbergiers en burgers terugbrachten.

De naam Schiedam was synoniem geworden voor jenever: 'Genuine Schiedam' stond op de etiketten. Zonder dat hadden ze ook nooit in de Engelse matrozenkroegen kunnen lallen:

There are the Amsterdam Dutch

And the Rotterdam Dutch

The Schiedam Dutch

And the Goddamn Dutch!

Maar toch kwam er de klad in. Begin deze eeuw kochten de distillateurs liever de uit suikerbieten gestookte goedkopere melasse-alcohol als basis voor de jenever dan de klassieke moutwijn uit rogge, mout (gekiemde gerst) en maïs. De melasse-spiritus (sommigen vonden dat woord wat cru en spraken liever van 'eau-de-vie de betteraves') leende zich uitstekend voor de jonge jenever, die in de na-oorlogse jaren was uitgevonden om met minder moutsmaak een quasi dynamischer indruk te maken.

De bloeiende Schiedamse industrie verkommerde: van de twintig moutmolens bleven er nog enkele over en nu zijn er nog maar vijf distilleerderijen. Het 'zwarte Nazareth' zoals een fulminerende predikant ooit de stad had genoemd, kon de roetaanslag van de gevels gaan schrobben.

Het zakkendragershuisje staat al jaren leeg, al pronkt het nog als dierbaar monument aan de Schie. In het elegante wit-houten torentje beierden vroeger de klokken over de stad als een schip met graan was binnengevaren. De zakkendragers kwamen dan aangedraafd om in de 'smakbak' met dobbelstenen te bevechten ('smakken') wie de meeste zakken mocht dragen: ze werden immers per zak betaald.

Knotsen van dobbelstenen overigens: ze liggen nu ongebruikt in een vitrine in het net geopende Nederlands Gedistilleerd Museum aan de Lange Haven. Daar hangt ook een zak met 80 kilo inhoud aan een weegschaal: de bezoeker mag proberen hem een paar centimeter van de grond te tillen om te voelen wat die sjouwers vroeger op hun nek namen.

Het museum, De Gekroonde Brandersketel genaamd, is gehuisvest achter de drie magnifieke 18de-eeuwse klokgevels van voorheen De Locomotief, de branderij die in 1985 plotseling harder brandde dan de bedoeling was. De Schiedammer Jos Gunneweg, die eerder als molenconsulent van Monumentenzorg geld en animo bijeenbracht om de vijf resterende molens in ere te herstellen, kreeg ook gemeente en sponsors zover om de ruïne te restaureren en er het museum in te vestigen dat tot dusver sluimerde in de kelder van het Stedelijk Museum van de stad.

Gunneweg (49) is nu directeur van het museum en van de beheersstichting die voor de molens zorgt. Hij schenkt een strogeel korenwijntje in en vertelt hoe hij als jongetje over de Schiedamse kaden zwierf en genoot van de bedrijvigheid. Soms hielp hij in de schoolvakanties een handje in een van de vele distilleerderijen. Die voorbije tijd laat hij nu herleven onder de hanebalken van de vier ruime etages, waar al die aspecten van de branderij en de bijbehorende ambachten zijn te zien.

En te ruiken! Want in houten kuipen gist het graanbeslag, dat onder de ogen van de bezoekers dagelijks in authentieke koperen ketels tot moutwijn wordt gestookt, in de drie klassieke etappes van ruwnat en enkelnat tot bestnat. Het resultaat wordt aan de distillateurs verkocht, maar ook gaat het museum er een eigen jenever van maken. Natuurlijk zal die, in de toekomst, voor bezoekers op fles te koop zijn en ook kan er van worden genipt in het inpandige proeflokaal, waar uit een rijk assortiment Nederlands gedistilleerd kan worden gekozen. Een consumptiebon zit al in de toegangsprijs van ƒ 7,50.

De dorst komt vanzelf na een rondgang over de blank-houten vloeren langs de gereedschappen, foto's, flessen en fusten. Een verzameling van meer dan twaalfduizend miniatuurflesjes uit de hele wereld nodigt uit om langzaam langs te slenteren. Elders staat een batterij welgevulde flessen met op de hals een balgje: knijp er in en uit een tuitje wolkt de geur van de drank. Schelvispekel ruikt wel heel anders dan men misschien mocht vermoeden.