Martens blijft gefascineerd door 26 letters

De naam van Karel Martens, winnaar van de Heinekenprijs voor de Kunst 1996, is minder bekend dan zijn ontwerpen voor boeken, postzegels en telefoonkaarten.

Op school wilde hij nergens voor deugen, behalve voor tekenen en wiskunde. Die twee vakken hebben dan ook het leven van grafisch ontwerper Karel Martens (57) bepaald. Zijn tekentalent bepaalde de keuze voor een opleiding aan de Akademie voor Beelden Kunsten in Arnhem en zijn wiskundige voorkeur is sindsdien steeds zichtbaar geweest in zijn werk.

Afgelopen vrijdag ontving Martens voor dat werk de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de Kunst uit handen van prins Claus. De prijs wordt om de twee jaar, tezamen met vier wetenschappelijke prijzen, toegekend door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Het geldbedrag van 100.000 gulden voor de kunstprijs wordt gefourneerd door de Stichting Alfred Heineken Fondsen. Bij de prijs hoort bovendien een boek, waarin vrijwel het gehele oeuvre van Martens staat afgedrukt. Een geschenk waar de ontwerper misschien nog wel vergulder mee is dan met de geldprijs, ook al zijn er wel kanttekeningen te plaatsen bij de vormgeving ervan door Martens' eigen leerling Jaap van Triest.

De naam Karel Martens is waarschijnlijk minder bekend dan zijn werk. Een groot deel van de Nederlandse bevolking heeft zijn werk sinds 1994 op zak, in de vorm van de standaard telefoonkaart van PTT Telecom. Begin 1992 plakte iedereen op brieven de postzegel die Martens ontwierp ter gelegenheid van de introductie van het nieuw burgerlijk wetboek en Hagenaren kennen zijn belettering van het Nederlands Dans Theater aan het Spui. Het juryverslag spreekt dan ook van een “veelzijdig ontwerper die een bescheiden maar fundamentele plaats inneemt in grafisch Nederland”.

Maar Martens is vooral ook boekontwerper en de fundamenten daarvoor werden begin jaren '60 gelegd bij uitgeverij Van Loghum Slaterus. “Dat was mijn eerste confrontatie met het boek”, zegt hij. “Op de academie was daar eigenlijk geen aandacht voor, het dichtste in de buurt kwam het vak 'reclame-illustratief'. Bij Van Loghum Slaterus werd ik in een kamertje gezet met een tekst en de opdracht 'maak hier maar een boek van'. Ik had geen idee waar ik moest beginnen.” Bep van Tricht, samen met haar man Jan eigenaar van de uitgeverij en zelf een leerlinge van typograaf Jan van Krimpen, hielp hem op weg en leerde hem het vak van boekverzorger.

Martens werd een aanhanger van het 'Zwitserse' modernisme, vooral omdat dat in die tijd inderdaad heel modern was. “Dat was toen echt heel revolutionair. En nog steeds zijn verschillende waarden van het modernisme van groot belang, zoals de functionaliteit, de helderheid en het zoeken naar de essentie. Maar in zijn heel dogmatische vorm uit de jaren '70, met stramienen, ging het mij te ver, daar lag voor mij het breukvlak.” Vanaf dat moment ook maken de geometrische figuren op de boekomslagen voor Van Loghum Slaterus plaats voor foto's en tekeningen op de omslagen voor de Socialistische Uitgeverij Nijmegen (SUN), terwijl juist de typografie strakker wordt.

Een aanhanger van het exuberante postmodernisme is Martens nooit geworden, eenvoudig omdat leesbaarheid en functionaliteit voor hem heilig zijn. Maar helemaal onberoerd heeft die stroming hem nu ook weer niet gelaten. “Het klimaat is natuurlijk veranderd, ook bij opdrachtgevers. De speelruimte bij Van Loghum Slaterus en SUN was anders dan bij opdrachtgevers van nu. Ook de PTT heeft nu niet meer van die strenge regels die ze vroeger waarschijnlijk wel had.”

Het verst gaat Martens nu in zijn vormexperimenten in het architectuurtijdschrift Oase, dat om te beginnen al elke keer een ander formaat heeft. Nummer 32, met als thema 'Nul', bleef zonder omslag, het volgende nummer over 'de metropool' kreeg juist een glossy cover en binnenwerk en bij nummer 34, dat over het interieur ging, moesten de lezers zelf de pagina's lossnijden. “In de architectuur, de oudste ontwerpdiscipline, gaat de discussie tussen vorm en inhoud nog altijd door. Daarom is Oase zo'n mooi podium voor experimenten op dat gebied.”

Ondertussen blijft Martens geboeid door de meest elementaire bouwstenen voor zijn vak: letters, cijfers en kleuren. “Het klinkt misschien heel naïef, maar ik vind het nog steeds wonderbaarlijk dat, wanneer je twee kleuren over elkaar heen drukt, er een derde kleur ontstaat. Net zo fascinerend vind ik dat je met de 26 letters van het alfabet een eindeloze variëteit aan combinaties kunt maken. Voor cijfers geldt hetzelfde, maar daar is bovendien nog een zekere mystiek aan gekoppeld. Dat je door het intoetsen van een paar cijfers over de hele wereld iemand aan de telefoon kunt krijgen, is toch fascinerend?”

Dat laatste gegeven gebruikte Martens dan ook voor zijn telefoonkaarten, waar ter onderscheid van de gelegenheidskaarten geen afbeelding op mocht komen te staan. Aanvankelijk wilde Martens de cijfers willekeurig op de kaart zetten, maar langzamerhand rees het idee om er een nationaal symbool in te verwerken. Via een letter-cijfercode versleutelde hij daarom het Nederlandse volkslied tot een veelkleurige reeks over elkaar gedrukte cijfers. De kaarten verenigen daarmee alle uitgangspunten van de ontwerper Martens en staan eigenlijk model voor zijn hele werk. Zo bezien preludeerde de eervolle vermelding voor de serie vorig jaar bij de Rotterdam Designprijs eigenlijk al op de oeuvreprijs van de KNAW.

Karel Martens, printed matter/drukwerk werd uitgegeven bij Hyphen Press, Londen (ISBN 0 907259 11 1) en kost ƒ 44,50. Van 1 oktober tot 15 december wijdt het Museum Meermanno-Westreenianum / Museum van het boek, Prinsessegracht 30, Den Haag een tentoonstelling aan het werk van Martens.