Liever de wet dan het rechtsgevoel

Er zijn twee redenen waarom het beroep op de grondwettelijke integriteit van het menselijk lichaam geen definitief argument oplevert, aldus prof. Dupuis in het debat over chemische castratie van seksdelinquenten (NRC HANDELSBLAD, 7 september).

De eerste reden is dat algemeen aanvaarde juridische en morele uitgangspunten uitzonderingen kennen, welke dan wèl apart wettelijk geregeld moeten worden (zo wil ook onze Grondwet dat zelf). Het tweede uitgangspunt is, volgens haar, dat de wet er is voor de mensen en niet andersom (dit lijkt geen zelfstandig argument, maar een rechtvaardiging van het eerste).

Op de eerste plaats moeten we in het oog houden dat het bij het inbreuk maken op de lichamelijke integriteit in het algemeen kan gaan om verschillende juridische grondslagen. Dupuis noemt, zonder onderscheid te maken, enkele inbreuken: visitatie van drugskoeriers (dwangmiddel in het kader van strafvordering), verplichte HIV-test bij een verkrachter (civielrechtelijke aanspraak uit onrechtmatige daad), invasies in de gezondheidszorg zonder toestemming (betreft het gezondheidsrecht).

Op de tweede plaats dient men te bedenken dat de inbreuk op het respect voor de lichamelijke integriteit twee modaliteiten kent: de directe, waarbij onder dwang een inbreuk wordt toegepast, en een directe, waarbij aan de weigering om de inbreuk toe te staan gevolgen ten nadele van de weigeraar worden verbonden (bijvoorbeeld weigering bloedproef bij verdenking van dronken rijden).

De discussie over chemische castratie is ontstaan enerzijds door de weerzinwekkende gebeurtenissen in België, anderzijds doordat de Amerikaanse staat Californië zeer onlangs (NRC HANDELSBLAD, 2 september) een wetsvoorstel heeft aanvaard dat inhoudt dat een veroordeelde kinderverkrachter pas uit de gevangenis mag op voorwaarde dat hij maandelijks een injectie ondergaat.

Bij dit laatste gaat het dus blijkbaar niet om een lijfstraf, maar om een indirecte inbreuk op het respect voor de lichamelijke integriteit, die - op het eerste gezicht - overigens helemaal niet zo nieuw is. Ook in ons rechtsstelsel worden zowel in het strafrecht (voorwaardelijke invrijheidstelling) als in het burgerlijk recht door de rechter niet zelden voorwaarden gesteld waarbij grondrechten in het geding zijn.

“Als het rechtsgevoel verandert, dan kan, ja moet de wet daarin uiteindelijk volgen”, zo specificeert Dupuis haar argument dat de wet er is voor de mensen en niet andersom. Hierin neig ik haar te volgen, doch al lezende wacht ik wel op een indicatie waar de grens ligt. Die geeft Dupuis niet.

We zullen het er allen over eens zijn dat wat Shylock van de Koopman van Venetië wilde niet door de beugel kan, evenmin als het afhakken van de hand van de dief, maar waar ligt de grens tussen wat wel en wat niet kan? Wie bepaalt wat het rechtsgevoel precies inhoudt? Het publiek achter de dranghekken? De pers? Het gesundes Volksempfinden? Een beroep op 'het rechtsgevoel' is populistisch en niet van gevaar ontbloot.

Dupuis: “Als allen recht hebben op die bescherming (van de lichamelijke integriteit), dan geldt dat ook voor de (potentiële) slachtoffer van seksuele delinquenten. Er is sprake van een wezenlijke morele afweging: belangen van ernstige seksuele delinquenten liggen in de weegschaal met belangen van degene wiens lichamelijke integriteit zij bedreigen”. Is hier wel sprake van gewone belangenafweging waar we gauw klaar mee kunnen zijn?

Dupuis in elk geval wel. Zij suggereert dat de rechtsstaat, door de lichamelijke integriteit van de misdadiger te respecteren en daarmee de bescherming van zijn burgers op te geven, dit uit 'mededogen met misdadigers' zou doen. En dat mededogen lijkt natuurlijk weinig gerechtvaardigd. Er is evenwel geen sprake van dat wij, door vast te houden aan het beginsel van respect voor de lichamelijke integriteit 'het belang van de crimineel zwaarder laten wegen dan dat van de samenleving'. Dupuis, die dat niet juist vindt, redeneert 'oog om oog, tand om tand'. Wat de crimineel 'ons' aandoet mogen 'wij' de crimineel aandoen: de integriteit van het menselijk lichaam schenden, zo lijkt Dupuis te willen zeggen. Hoe humaan het oogmerk van Dupuis ook lijkt (namelijk de delinquent een onbepaalde ter beschikkingstelling besparen), de redenering is niet zuiver.

Het werkelijke morele dilemma ligt op een heel ander vlak. Om dat dilemma op te kunnen lossen dient men ten minste in aanmerking te nemen wat de aard en de juridische grondslag is van de overwogen inbreuk op het respect voor de lichamelijke integriteit: een directe inbreuk (dwang) of een indirecte (voorwaarde), een dwangmiddel of een lijfstraf enzovoorts.

De ethische vraag waar het om gaat is: is er op het te betreden hellend vlak een ondubbelzinnige grens te trekken die onder alle denkbare en ondenkbare omstandigheden volgens vaste criteria voorkomt dat er een vloeiende overgang is naar volkomen willekeur van het bevoegd gezag. De ratio van de eis van absolute bepaalbaarheid is gelegen, niet in het mededogen met de misdadiger, maar in de bescherming van alle burgers tegen willekeur van het bevoegd gezag en tegen listen van Shylocks.

Die grens ligt, net als bij abortus en euthanasie, niet voor eeuwig vast, maar dient, bij het verleggen ervan op grond van aan het 'rechtsgevoel' ontleende argumenten, wèl absoluut bepaald en zorgvuldig beredeneerd te zijn (onder meer in termen van doelmatigheid). Dat is de reden waarom de Grondwet een aparte wettelijke regeling verlangt en waarom loyale en brede handhaving van een eenmaal vastgestelde rechtsregel, hoe zeer ook indruisend tegen onze primaire gevoelens, in een rechtsstaat zo gek niet is, ook als het om kinderen gaat.

De natuur heeft ons toegerust met mededogen, maar een rationele inrichting van onze samenleving vergt dat wij niet aflaten dat mededogen te beredeneren. Gevoelens van mededogen, humaniteit of wreedheid zijn geen ultieme grondslagen maar vormen, naast onze kennis van historische uitwassen, slechts een eerste - belangrijke - prikkel tot beredenering.