Kunstloze gebruiks- voorwerpen in het NAi; Het altijd moderne van Gispen

In het Nederlands Architectuur- instituut in Rotterdam is een deel te zien van een grote collectie Gispen-meubelen. 'Ontwerpen voor Gispen' zijn niet alleen functioneel, maar ook esthetisch en al zo'n tachtig jaar modieus. En de stoelen zitten lekker.

Tentoonstelling: Ontwerpen voor Gispen, t/m 23 nov, NAi, Museumpark 25, Rotterdam. Openingstijden; di t/m za 10-17 uur; zo 11-17 uur. Maandag gesloten. Boek: Collectie Gispen. Meubels, lampen en archivalia in het NAi 1916-1980, 208 blz. Prijs ƒ 65,-

Er moet een tijd zijn geweest dat de buismeubelen van Gispen níet in de mode zijn geweest. Want sinds begin van de jaren zeventig maakt de firma Gispen Internationaal B.V. alleen nog kantoormeubelen, en zijn de glimmende buizenstoelen alleen nog tweedehands te koop. Maar niet veel later werden Gispen-meubelen, althans die uit de periode 1930-1955, gewilde verzamelobjecten. Er was een nieuwe generatie Nederlanders gekomen die, anders dan hun ouders, de Gispen-meubelen niet associeerden met ziekenhuizen, kantoren en wachtkamers. Of misschien hadden ze die associatie ook wel, maar pasten de 'zakelijke' Gispenmeubelen juist daarom zo goed in hun toenmalige witte, strakke interieurs.

Inmiddels zijn kleuren weer toegestaan in het interieur, maar Gispens buismeubelen zijn niet meer uit de mode geraakt en brengen flinke bedragen op: het eenvoudigste model bureaustoel kost al gauw een gulden of tweehonderd. Er bevindt zich dan ook een fortuin aan stoelen, fauteuils, bureaus, tafels, kasten, banken en lampen op de tentoonstelling Ontwerpen voor Gispen in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam. Toch is de expositie beslist niet een grote Gispen-overzichtstentoonstelling: wie naar het Architectuurinstituut gaat in de hoop nu eens alle Gispen-meubelen te zien, zal worden teleurgesteld. Er staat slechts een selectie uit de schenking Gispen-meubilair, die het instituut in 1992 kreeg en die waarschijnlijk de grootste collectie Gispen-meubelen vormt. In de catalogus, die het NAi onlangs uitgaf, worden wel alle Gispen-stukken uit de Nai-collectie nauwkeurig beschreven en in bijna alle gevallen ook afgebeeld.

Maar hoe klein ook, de expositie geeft een goed beeld van de ontwikkeling van de Gispen-ontwerpen. Ze zijn er allemaal te zien: de tamelijk lompe smeedijzeren lampen, die Gispen maakte nadat hij in 1916 een kleine ijzersmederij had overgenomen, gevolgd door de zakelijke Giso-lampen van kristalglas en het gebogen buizenmeubilair uit de jaren twintig en dertig. En ten slotte de ranke, hoekige naoorlogse meubels van staal en kunststof, die niet door Gispen zelf zijn verzonnen maar door Wim Rietveld en andere ontwerpers die hun landgenoten 'goed' wilden laten wonen.

Hun opvattingen van 'goed' verschilden niet wezenlijk van die van Gispen. Die was in de jaren twintig, onder invloed van het Bauhaus en de Stijl, tot de overtuiging gekomen dat een goed meubel geen kunst was, maar een 'kunstloos gebruiksvoorwerp'. Niet esthetische, maar functionele overwegingen moesten de vorm bepalen.

In zijn artikel in de catalogus laat André Koch, die overigens al in 1988 een boek over Gispen-meubilair schreef, zien dat op het functionalisme van buismeubelen heel wat is af te dingen. Het stalen-buis-meubel, schrijft Koch, oogt niet alleen koud, maar was het door het staal ook letterlijk. En de lichtheid van de buizenstoelen, waarop de ontwerpers altijd hamerden, is ook betrekkelijk: “De ontwerpers vergeleken het buismeubel met het gangbare dik gestoffeerde salonmeubel”, schrijft hij. “Die vergelijking valt uiteraard in het voordeel van staal uit. Als men echter een eetkamerstoel van stalen buis vergelijkt met een gebogen houten caféstoel, is de laatste in het voordeel. Op de betaalbaarheid is ook wel iets af te dingen. De bereikbaarheid van het stalen meubel voor personen met het bestaansminimum bleef vooralsnog een utopie.”

Koch heeft natuurlijk gelijk: Gispenmeubelen zijn niet functioneler dan veel andere, traditionele meubels, maar wekken door hun glimmende buizen vooral de indruk van functionaliteit. Zoals de ranke gebouwen van het Nieuwe Bouwen functioneel oogden maar in praktijk vaak al snel verwerden tot lekkende ruïnes, zo lijken veel buismeubelen zeer ergonomisch verantwoord, maar blijken ze onzitbaar te zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de nog altijd veel verkochte Wassily-fauteuil van de Bauhausontwerper Marcel Breuer, die weliswaar is teruggebracht tot een minimum van stalen buizen en leren zittingen maar juist hierdoor maar één zithouding toestaat en dus niet geschikt is om een avond tv in te kijken. In de meeste interieurs dienen ze dan ook als object dat de moderniteit van de bewoner moet bewijzen.

Toch onttrekken de Gispenmeubelen zich voor een deel aan de bezwaren tegen buismeubelen. Het is de grote verdienste van Gispen dat hij buismeubelen ontwierp die wel goed zaten (en zitten). Gispen was zeker geen pionier van het buismeubel - de Nederlander Mart Stam en de Duitser Ludwig Mies van der Rohe ontwierpen al jaren eerder dan Gispen dergelijke meubels - maar hij had een goed oog voor comfort en vond niet dat modern wonen ook spartaans zitten moest betekenen. Strenge buismeubelliefhebbers hebben daarom ook altijd kritiek gehad op de dikke kussens die bij Gispenmeubels zo vaak de ijlheid van de buisconstructie teniet doen. Maar waarschijnlijk is dit ook precies de reden van de blijvende populariteit van de Gispenmeubels.