Joost van den Toorn brengt samen wat onverenigbaar is

Tentoonstelling: Joost van den Toorn. Beelden 1983-1996. T/m 3 nov. Hannema de Stuers Fundatie, Kasteel Het Nijenhuis, Heino/Wijhe. Di-zo 11-17u. Cat ƒ 19,50.

Een kolossale wolk van brons op zuilen is het voorlopige hoogtepunt in het oeuvre van Joost van den Toorn. Als het dertig meter hoge beeld The Asylum eind november op de Rotterdamse Kop van Zuid bij de nieuwe Erasmusbrug zal worden geplaatst, is zijn eerste museale overzichtstentoonstelling met zo'n zestig, meest kleine, sculpturen in Kasteel Het Nijenhuis net achter de rug. Wie nader kennis wil maken met zijn opmerkelijke werk moet dus nu gaan kijken.

Joost van den Toorn (Amsterdam, 1954) is representant van een stroming die begin jaren tachtig, onder andere bij de Amsterdamse galerie Swart voor een radicale koerswending zorgde. Na de strenge geometrische kunst, de fundamentele schilderkunst en de minimal art van de jaren zestig en zeventig, gooide Swart het roer drastisch om. Tiepolo, Frans Haks en Arnold Böcklin werden in één adem genoemd. Om de nieuwe kunst kon (weer) gelachen worden en trouwens ook gehuild. Samen met kunstenaars als Cecile van der Heiden, Combais, Jiri Dokoupil en Milan Kunc paste Van den Toorn uitstekend in de sterk verjongde stal van Swart. Ze maakten kunst met knallende kleuren en verleidelijke materialen, van roze tot bruin en van fineer tot bladgoud. Met de eeuwige schoonheid van brons en marmer werd de draak gestoken.

Zoals het toonbeeld van zuiverheid, de gladgepolijste fallusvorm van Brancusi, onlangs werd tentoongesteld naast het banale urinoir van Duchamp, zo brengt ook Van den Toorn thema's en materialen samen die schijnbaar onverenigbaar zijn. Juist daardoor ontstaat een spannende frictie.

Zijn Wald-Heim uit 1989, geleend uit het Groninger Museum, is zo'n beeld vol dubbele bodems en dubbelzinnige symboliek. Het bestaat uit een groepje tot fallussen gestileerde bronzen bergen. Op de toppen staan plastic boompjes afkomstig uit de modelbouw. Op de hoogste top torent een blokhut. Een studieobject voor (post-)modern iconologisch onderzoek.

Of het nu gaat om Kabouter Kandelaar, een soort nar op één voet met een slaapmuts, Oude Pekela, een reuzenduim uit een wolk die een dorpje platdrukt, of Het laatste Avondmaal, een trouwhartige pitbull tussen uiteengereten kinderledematen, Van den Toorn stelt zich niet alleen op als een cartoonist van een romantisch-anarchistische signatuur die maatschappelijke thema's van commentaar voorziet. Hij weet ze ook nog eens te verbinden met artistieke en kunsthistorische motieven. De clou van zijn werk zal lang niet even gemakkelijk voor iedereen te vatten zijn, maar zijn sterke kant is dat hij altijd helder is in zijn spel met vorm en inhoud.