In Liefde Bloeyende

Theodore Rodenburgh (ca. 1578-1644)

HODIE SIC VERTITUR ORBIS

Onlangs verleden overvielen my de dromen

In sluymer ende slaep, veel wonderen ick zach;

Ia schaers geloof ick datmen alles zeggen mach

Doch vaecken vreemde dingen inde droom voortkomen.

My dacht ick zach een Prins zijn scepter afgenomen

En op een Herders hooft gestelt, dus met geklach

De Prins ontkroont in groote armoed' treurend' lach:

Veel dwaezen zach ick daer, die moedich zonder schromen

Ontabberden de wyzen, treckende die aen

De deughde wierden arm, de ondeughd wierden rijcke

De deuchde sach ick meest met ongeluck belaen

De wijsheyt die quam schuylwijs om het hoeckxken kyken

Maer wierde dadelijck van zotten overheert

De werld reed op een kreeft, en daerom gingt verkeert.

In 1619 verschijnt dit gedicht, in een boek dat Eglentiers Poëtens Borst-weringh heet. Een poëet maakt zijn borst nat. 1619, het is een jaar van grote woelingen. De Dertigjarige Oorlog is zojuist losgebrand, al weet nog niemand dat het een dertigjarige oorlog zal worden. De Pilgrim Fathers maken zich op om met de Mayflower Europa te ontvluchten, al weet nog niemand dat ze eens Pilgrim Fathers zullen heten. Het is een tijd van grote woelingen, het is een tijd van grote onzekerheden. Het is zelfs onzeker of Theodore Rodenburgh dit gedicht wel zelf heeft bedacht. Het kan een vertaling of een navolging zijn. Ook het thema is niet bijster origineel. Verhalen over de omgekeerde wereld deden al in de oudheid en de Middeleeuwen de ronde. Maar in 1619 moet dit thema de mensen opnieuw sterk hebben aangesproken. De wereld leek compleet uit zijn voegen. Een oude poëtische kunstgreep kon fris leven worden ingeblazen.

Wie een 'omgekeerde' wereld beschrijft, moet een idee hebben van een wereld die overeind staat. Zo'n schrijver is dus satiricus en moralist. Hij houdt met de lachspiegel een spiegel voor. Uiteindelijk is zijn absurde visioen, waarin het onmogelijke mogelijk is geworden, een klacht tegen zijn tijd. Zie, naar deze toestand glijden we af, hoor je hem verzuchten, of - om bij de titel van dit gedicht te blijven - in deze richting draait de aardkloot thans.

Rodenburgh begint met te vermelden dat hij een droom heeft gehad -

In sluymer ende slaep

Ook dat is een zeer belegen kunstgreep. Maar het werkt. De dichter beleeft in zijn slaap een nachtmerrie. Het is dus zaak zo snel mogelijk wakker te worden in het paradijs van de werkelijke wereld. Maar die wereld is helemaal geen paradijs. Het is al wakend dat men de nachtmerries beleeft. Door de kunstgreep van de droom beseft de lezer dit des te pijnlijker.

De dichter is iemand die zijn doel het snelst bereikt via de omweg.

Het is maar goed, zegt Rodenburgh, dat een mens niet alles hoeft te vertellen wat hij zoal droomt, maar dat er in dromen vaak (vaecken) vreemde dingen gebeuren, zoveel is zeker. En dan volgt zijn versie van de omgekeerde wereld, een wereld die zich merkwaardig dicht bij de maatschappelijke verschijnselen houdt. Het thema van de mundus inversus - de wereld op zijn kop gezet - gaf immers meestal aanleiding tot uitbundige fantasieën en haast surrealistische spiegeleffecten. De ezel speelde op de luit en het lam zat achter de wolf aan. In oud-Franse fatrasies kwam het voor dat gepluimde beren koren zaaiden en blaffende snoeken de testikels van vlinders aten. Bij die traditie vergeleken is Rodenburghs visioen een wonder van ingetogenheid. Bij hem draagt de herder een koningskroon, loopt de zot rond in de tabberd of toga van de wijsgeer en is de ondeugd financieel beter af dan de deugd. Kortom, hij beperkt zich tot de begrippen macht, domheid, geld, rang, fatsoen. Tot verdomd authentieke begrippen die eens te meer het actuele karakter van zijn gedicht benadrukken.

Dat het om meer dan het herkauwen van een oud deuntje gaat - buitenlands gezelschapsspel voor Nederlanders nagebootst - blijkt vooral uit de zwierige, vitale toon van het gedicht. Het danst en doet aan snelle decorwisselingen. Ter plekke verzint Rodenburgh een nieuw woord als het fraaie onttabberden - de zotten die de wijzen ontdoen van het symbool van hun waardigheid, de tabberd, om die zelf aan te trekken. Bobbel-bellings-gaven, dat is nog zo'n mooi woord (voor ijdelheid waarmee iemand begiftigd kan zijn) uit een ander gedicht van hem.

Goed, de domheid is getabberd, de deugden komen op, de ondeugden komen op, de deugd zet een extra stap naar voren -

De deuchde sach ick meest met ongeluck belaen

- en dan durft daar, heel schuchter en heel kleintjes, de wijsheid nog eens haar neus te laten zien, hopend op iets van een comebackje -

De wijsheyt die quam schuylwijs om het hoeckxken kyken

- om onmiddellijk overmeesterd te worden door zotten. Je merkt aan timing en tempo, dunkt me, dat Theodore Rodenburgh in de eerste plaats toneelschrijver was. Al even onmiddellijk laat hij - als de regisseur - er op volgen: De werld reed op een kreeft, en daerom gingt verkeert.

Doek! Wat levert dit, met terugwerkende kracht, een fier ruitertableau op! Het mooiste van deze slotzin vind ik de woordspeling met verkeert. We kunnen dit zowel letterlijk als figuurlijk opvatten. 'Verkeerd' in de zin van andersom, omgekeerd, in de verkeerde richting (van kreeften wordt verteld dat ze achterwaarts lopen) en 'verkeerd' in de zin van verdorven, slecht, zondig. Ik vind dat niet mooi omdat het een woordspeling is, ik vind dat mooi omdat het zo'n moeiteloze, volkomen functionele dubbelzinnigheid is.

Het ging de verkeerde kant op met de wereld, zegt ons de dichter. En hij zei ons dat door de dingen op hun kop te zetten. Dat is ook de geheime kracht van de carnavalstravestie. De boer is koning, de ambtenaar is hoer.

Ons met buitelingen en een lachend gezicht inpeperen dat iets snel in zijn tegendeel kan verkeren, dat alles een keerzijde heeft en dat alles anders is dan het lijkt of anders lijkt dan het is - dat is het privilege van de nar en de dichter.