Hoogleraar: gouden handdruk voor iedereen

DEN HAAG, 3 OKT.Werknemers die zonder verwijt worden ontslagen kunnen rekenen op een gouden handdruk van al gauw enkele tienduizenden guldens.Deze conclusie trekt prof. mr. P.F. van der Heijden, hoogleraar arbeidsrecht van de Universiteit van Amsterdam uit een aantal recente gerechtelijke uitspraken.

Volgens Van der Heijden heeft de wetgever nooit bedoeld dat ieder ontslag dat niet te verwijten valt aan de werknemer per definitie gepaard moet gaan met het betalen van een vergoeding. “Maar het is langzamerhand wel de praktijk in Nederland aan het worden”, aldus Van der Heijden.

De hoogleraar wijst op een zijns inziens “opmerkelijke uitspraak” van de kantonrechter te Utrecht mr. R. Mengelberg, op 24 juli 1996. Het ging hierbij om een ontslag van een werknemer bij Reaal Verzekeringen N.V. Reaal had voor het ontslag van deze werknemer een ontslagvergunning aangevraagd èn gekregen, bij de regionaal directeur voor de arbeidsvoorziening te Utrecht. De betreffende werknemer kon dus met een vergunning rechtsgeldig worden ontslagen.

De werknemer nam daar echter geen genoegen mee. Hij stapte naar de kantonrechter met een eis van 50.000 gulden schadevergoeding. De kantonrechter ging hier zonder inhoudelijke argumentatie mee akkoord. Als de betreffende werknemer geen bedrag had genoemd zou hij zelfs een nog hogere schadevergoeding hebben gekregen. “De kantonrechter kan echter in het algemeen niet een bedrag toewijzen dat hoger is dan het gevorderde bedrag”, zo stelt het Kantongerecht Utrecht. Werkgever Reaal werd bovendien veroordeeld tot het betalen van de kosten: 1.500 gulden.

Prof. Van der Heijden is vooral verbaasd over de reden die de kantonrechter aanvoert voor zijn vonnis. Door het kale feit dat Reaal zich niet tot de kantonrechter, maar tot het arbeidsbureau heeft gewend voor ontslag, zou de werknemer “beroofd kunnen worden van billijke vergoeding”.

Dat acht de kantonrechter te Utrecht op zichzelf reeds in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. Daarom veroordeelt hij Reaal tot het betalen van een vergoeding van 50.000 gulden plus proceskosten.

Andere kantonrechters hoeven zich niet aan deze uitspraak te houden. Zouden zij zich op dezelfde wijze opstellen, dan doen alle ontslagen werknemers er volgens Van der Heijden verstandig aan zich tot de kantonrechter te wenden. Afhankelijk van leeftijd, aantal dienstjaren en maandloon kunnen zij dan rekenen op een flinke vergoeding, die al gauw oploopt tot enkele tienduizenden guldens.

De verwarring wordt volgens Van der Heijden veroorzaakt door het “dubbel ontslagrecht” dat Nederland als een van de weinig landen in de wereld kent. Werkgevers kunnen zich voor een ontslagvergunning wenden tot het Arbeidsbureau en met een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot de kantonrechter.

De kantonrechter wordt daarbij steeds populairder. Stonden er in het eerste kwartaal van 1995 tegenover 18.784 onslagvergunningaanvragen nog 11.680 ontbindingsverzoeken, in het eerste kwartaal van 1996 gingen werkgevers nog maar in 15.003 gevallen naar het arbeidsbureau, terwijl bij 12.454 ontslagkwesties de kantonrechter werd ingeschakeld. De twee “ontslagwegen” zijn dus al bijna even populair.

Tegen de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter is geen hoger beroep mogelijk. De Stichting van de Arbeid, heeft dit voorjaar een verzoek gericht aan minister Melkert (Sociale Zaken) om hoger beroep met betrekking tot schadevergoedingen bij ontslag mogelijk te maken. Het verzoek maakte deel uit van een breder akkoord in de Stichting van de Arbeid over flexibiliteit en zekerheid.

Minister Melkert verschilt over deze kwestie van mening met minister Sorgdrager (Justitie). Deze laatste zou vrezen dat het justitieel apparaat te zwaar belast zou worden door introductie van hoger beroep tegen toegekende vergoedingen. De sociale partners kwamen bovendien met een voorstel om de totale beëindigingsduur bij ontslag te bekorten. Ook dit voorstel heeft Melkert momenteel in beraad.

De sociale partners hebben steeds gezegd dat hun voorstellen voor flexibiliteit en zekerheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Als het kabinet niet alle voorstellen overneemt komt ook de rest van het akkoord (maximale proeftijd, contracten voor bepaalde tijd, andere behandeling van uitzendkrachten) op losse schroeven te staan. Zij zetten daarmee Melkert en Sorgdrager onder druk. Prof. Van der Heijden stoort zich aan de volgens hem bijzonder traag malende politieke molens. “De departementen van Justitie en Sociale Zaken zijn samen met het parlement nu al zo'n kleine twintig jaar bezig met voorbereiding van allerhande nieuw ontslagrecht, maar dat heeft tot op heden niet tot nieuwe wettelijke regels geleid”, zegt hij. “Alle voorstellen bleven tot nu toe in een minder of verder gevorderd stadium steken in de Tweede of Eerste Kamer”.

De hoogleraar roept enkele geruchtmakende gouden handdruk-zaken in herinnering,waar de Tweede Kamer zich eerder dit jaar danig over opwond: die van gewezen procureur-generaal mr. R.C.J. Graaf van Randwijck en de voormalige streekvervoerders C.J. Nyqvist van VSN Groep en A. Testa van NZH.

“Er vielen stevige statements te beluisteren”, aldus Van der Heijden, “maar daarna werd het, zoals vaker, weer stil”. Volgens de hoogleraar arbeidsrecht geven recente gerechtelijke uitspraken, zoals die door het kantongerecht in Utrecht, kabinet en parlement voldoende aanleiding “om nu nu eindelijk eens met wetgeving te komen”.

Volgens Van der Heijden moet het kabinet een eind maken aan het dubbel ontslagrecht. Hij denkt dan met name aan het verdwijnen van de ontslagvergunning bij het arbeidsbureau. Daarmee zou korte metten worden gemaakt met de bureaucratische rompslomp die voor veel werkgevers juist de reden is om naar de kantonrechter te stappen in plaats van naar het arbeidsbureau.

“De politiek ziet de weg langs het arbeidsbureau echter als een arbeidsmarktinstrument”, zegt Van der Heijden. “Via aan de ontslagvergunning te verbinden voorwaarden en via aan de arbeidsbureaus te verstrekken richtlijnen omtrent ontslag van bijvoorbeeld ouderen, zieken en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten oefent de politiek invloed uit”. Door deze “bemoeizucht”, vreest Van der Heijden, “zal het nog wel even duren voor er duidelijkheid komt over het ontslagrecht”.

Behalve door de overheid worden de arbeidsbureau's ook bestuurd door werkgevers en werknemers. De sociale partners hebben al eens eerder gedreigd uit de regionale besturen van de arbeidsvoorziening te willen stappen als het kabinet eenzijdig meningen blijft doordrukken. Wellicht kunnen Melkert en Sorgdrager ook langs deze weg nog eens tot spoed worden gemaand, suggereert Van der Heijden.