Het gruwelijke einde van jongetje Itak

Familievoorstelling: Itak door De Paardenkathedraal, vanaf acht jaar. Regie: Peter de Graef. Spel: Peter de Graef en Robert van Leeuwen. Gezien: 28/9 in de Stadsschouwburg te Utrecht. Tournee t/m 30/12. Inl. 030-2711414.

Met een verschrikte gil kruipt een klein meisje met twee donkerbruine staartjes aan weerszijden van haar hoofd weg onder de oksel van haar vader. 'Verboden onder de acht' prijkt er dan ook op het affiche van Itak, de nieuwe familievoorstelling van de Utrechtse Paardenkathedraal. Want nadat de voorstelling een uur lang vooral koddig en komisch lijkt, barst er in het laatste kwartier ineens een angstaanjagend spervuur los vanaf de veertien televisies die het speelvlak begrenzen. De buik van hoofdrolspeler Peter de Graef kleurt rood en hij stort ter aarde.

Itak is de eerste produktie van de Paardenkathedraal onder de nieuwe artistiek leider Dirk Tanghe. Eerder regisseerde hij Peter de Graef als George in Who's Afraid of Virginia Woolf, die voor die rol genomineerd werd voor de belangrijke toneelprijs de Louis d'Or. De Graef, die ervaring opdeed in het maken van jeugdtheater bij het Gentse gezelschap van Eva Bal, schreef en regisseerde Itak zelf. Het is een indrukwekkende voorstelling geworden, een lang sprookje vol zijlijnen en associaties. Dat er naast veel absurde, groteske humor een zware moraal aan dit verhaal hangt, dringt maar langzaam en niet al te opdringerig tot de toeschouwers door.

De twee acteurs, De Graef zelf en de al even veelzijdige Robert van Leeuwen, stuiteren schijnbaar moeiteloos van de ene rol in de andere, waarbij een snel onder de neus gedrukt zwart plakbandje een pracht van een snor maakt. Als de rollen eenmaal aangenomen zijn wordt de dialoog vaak zittend vanaf twee stoelen gevoerd, waardoor de nadruk komt te liggen op de vaak poëtische en soms melige teksten.

Itak, gespeeld door De Graef, is een wat opschepperig maar aandoenlijk jongetje uit een piepklein volkje van nobele wilden in het oerwoud. Hij weet zich onder de hoede van de goede geest Omar, een god met een herenhoedje, en doet zich vrolijk tegoed aan 'snoktorren', een Roald Dahl-achtige naam voor zoet smakende insekten. Heel anders is het leven van Waltertje in het 'Dorp Zonder Einde'. Lang konden zijn ouders geen kinderen krijgen, 'dat zat in de familie', en als Walter er dan eindelijk is, laten zij fluks al zijn organen vervangen door prothesen. Robert van Leeuwen ziet er opgesloten maar geloofwaardig uit in het kostuum, een stijve maliënkolder met darmen van electriciteitssnoer en ribben van keukenhandschoenen. Walter is voorbestemd om moordenaar te worden.

De jongens ontmoeten elkaar in wat volgens de een de onderwereld is, en volgens de ander gewoon de metro. Zij worden (pleeg)broers. De wereld van Waltertje wordt door het commentaar van Itak komisch. 'Opgegeten natuurlijk' constateert hij laconiek als iemand voorbij rijdt in een auto.

Hij leert er lachen zonder plezier te hebben en 'gestolde muziek' te ontcijferen. Ook iemand onder de acht zal misschien nog wel begrijpen dat Itak niet kan lezen, maar de voorstelling wordt vanaf dat moment een steeds gruwelijker parodie op onze samenleving. Een samenleving die, volgens Peter de Graef, onontkoombaar (op)leidt tot broedermoord.