Friese terp centrum van koninkrijk

Het Friese Wijnaldum was in de vroege middeleeuwen een artistiek middelpunt van het Friese koninkrijk. Na drie jaar graven in de terp Tjitsma komen de bewijzen volgens archeoloog Bos naar boven.

LEEUWARDEN, 3 OKT. Op de terp Tjitsma in Wijnaldum, bij Harlingen, zetelde in de zevende eeuw een topedelsmid die voor de koningen van het Friese rijk werkte. Een klein stukje gereedschap van deze smid, een matrijs, bevestigt dat het noordelijk deel van Westergo (boven de lijn Harlingen-Franeker) een cultureel centrum van het Friese koninkrijk was. Dit stelt archeoloog dr. J. Bos van de Groninger Universiteit, die de in zijn ogen unieke vondst afgelopen week bekendmaakte op een internationaal archeologisch congres in het Engelse York.

Vijf jaar geleden werd begonnen met opgravingen in de terp in Wijnaldum. Bos vermoedde toen al dat er een Friese elite had gewoond of althans had rondgereisd, gezien de zilveren en gouden munten, glazen kralen en drinkbekers die onder andere uit de acht werkputten naar boven werden gehaald. Gedurende drie jaar werden duizenden voorwerpen opgegraven, die de afgelopen maanden werden geïnventariseerd. Daarbij werd in een zakje met opgegraven metaalvondsten een onooglijk, door corrosie aangetast stukje metaal gevonden. In het laboratorium, waar het voorwerp werd schoongemaakt, ontdekte de beduusde laborant het matrijsje.

Bos juichte inwendig. De vondst is zeldzaam, stelt hij. Alleen in het zwarte circuit in Engeland schijnt er een exemplaar te bestaan, maar dat kon nooit worden bestudeerd door Engelse archeologen. De matrijs bewijst dat er een atelier van de specialist in Westergo stond, die topstukken vervaardigde voor koningen. Volgens Bos een bewijs dat dit gebied een artistiek middelpunt was van het Friese rijk dat zich uitstrekte van de Wezer tot aan het Zwin in het huidige Zeeuws-Vlaanderen.

Een matrijs werd gebruikt om geslepen almandijn (rode granaatsteen) in gouden sieraden in te leggen. Deze sieraden behoorden tot de top van de vroeg-middeleeuwse edelsmeedkunst en werden louter door koningen gedragen. Met behulp van het minuscule ponsje (één bij anderhalve centimeter) kon een haarfijn wafelpatroon worden gemaakt dat onder de geslepen edelstenen werd gelegd. Door dit raster van reflecterend goudfolie gingen de roodachtige steentjes nog meer schitteren.

Almandijn werd ook verwerkt in de bij Wijnaldum in delen gevonden fibula of mantelspeld. Bos had zich altijd al afgevraagd waar die vandaan kwam. “De fibula is een echt Fries kroonjuweel. De koning bracht de speld naar de enige man in de omgeving die hem kon repareren. We weten dat, omdat er een stukje van de rand van de speld is vervangen. Voor de veiligheid heeft de smid de speld begraven, om hem buiten het bereik van plunderaars en dieven te houden.”

De meester-edelsmid had internationale contacten. Het patroon van de matrijs komt overeen met dat van de knop op het zwaard van de Engelse koning Redwald, dat is gevonden in het koningsgraf van Sutton Hoo. “Dit is een heel karakteristiek wafelpatroon en op die knop zit precies zo'n raster”, licht Bos toe. “Engelse archeologen dachten dat die zwaardknop in Trier, in het Frankische rijk, was gemaakt. Maar niets Trier, hij werd op de terp Tjitsma in Wijnaldum gemaakt. Hier waren niet alleen maar kleibulten in een nat en mistig land. Dit was het centrum van een legendarisch koninkrijk, waar emplooi was voor een dergelijke edelsmid, die onder koninklijke patronage werkte.”

Dorestad mag dan het belangrijkste handelscentrum van het Friese vroegmiddeleeuwse koninkrijk zijn geweest, het 'ponsplaatje' bewijst volgens Bos dat Westergo een voornaam kerngebied was. Hij wil in 1999 of 2000 samen met Engelse en Scandinavische collega's een internationale tentoonstelling en een congres organiseren over de opkomende koninkrijken rond de Noordzee, waarvan het Friese koninkrijk deel uitmaakte.

In zijn ogen doet het Friese rijk, waar een deel van het huidige Friesland onder viel, in betekenis niet onder voor het Frankische of Engelse. “Wij denken altijd maar dat het Frankische rijk aan de kiem staat van het moderne West-Europa, maar dit kleine rotstukje brons van één bij anderhalve centimeter bewijst dat het Friese koninkrijk even belangrijk was. De Friese koningen Redbad en Altgillis waren wereldlijke vorsten en geestelijke leiders en geen krijgsheren of rondtrekkende plunderaars. Ze konden het zich immers veroorloven om gespecialiseerde opgeleide edelsmeden in dienst te hebben.”