Een Europese hoofdstad

Het verleden beheerst de bouwprojecten voor de hedendaagse Duitse hoofdstad. Met veel stenen façades en veel kleine ramen. Slechts hier en daar glipt een grote glazen wand er tussendoor. Een laatste, heroïsche poging de stedenbouw niet zonder meer over te laten aan het kapitaal.

Het nieuwe Berlijn wordt traditioneel. Veel van de talloze ontwerpen die in Berlijn worden gerealiseerd, getuigen van respect voor de geschiedenis. Zo krijgen de straten in Friedrichstadt, de barokke stadsuitbreiding in het voormalige Oost-Berlijn met als hart de inmiddels voltooide Friedrichstrasse, hun vooroorlogse breedte van 14 meter terug. De dakgoten van de nieuwe bouwblokken in Friedrichstadt moeten allemaal op de traditionele hoogte van 22 meter liggen.

Voor de uitbreidingen op het Museuminsel, een eiland met een verzameling negentiende-eeuwse classicistische gebouwen, koos Berlijn niet voor de detonerende dronkemansarchitectuur van de Amerikaan Frank O. Gehry, maar voor het passende historiserende ontwerp van de Italiaan Giorgio Grassi. Aan de Pariser Platz, bij de Brandenburger Tor, krijgen de nieuwe ambassades en banken hetzelfde formaat als de bouwwerken die er voor de Tweede Wereldoorlog stonden. En de nieuwe bebouwing bij de Alexanderplatz sluit niet aan op de overvloedig aanwezige modernistische DDR-architectuur, maar op de paar blokken van Peter Behrens die nog van voor de Tweede Wereldoorlog dateren.

Geestelijk vader van het nieuwe, traditionele Berlijn is Hans Stimmann, de Senatsbaudirektor die de status van staatssecretaris heeft gekregen om zijn plannen te realiseren. Berlijn moet een 'Europese stad' worden, vindt hij: niet de chaos van Tokio of Seoul, die door zoveel avantgardistische architecten wordt verheerlijkt, zal het nieuwe Berlijn beheersen, maar de orde van de beste Europese steden. “Men moet weten dat men in Berlijn is als men uit het vliegtuig stapt en niet in een of andere Aziatische stad”, zegt Stimmann. En dus krijgen de straten in Friedrichstadt als het aan hem ligt stenen façades met langwerpige ramen.

Stimmanns plannen stuiten vooral in kringen van architecten op grote weerstand.Zo spreekt Kristin Feireiss, de huidige directrice van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, die in haar Berlijnse galerie het liefst het werk van avantgardistische architecten laat zien, van een gemiste kans. Architectuur is de uitdrukking van haar tijd, vindt zij, en dus moet Berlijn niet het aanzien van een negentiende-eeuwse stad krijgen.

Nog grimmiger was de kritiek van de deconstructivistische Pools-Amerikaanse architect Daniel Libeskind die, nadat zijn stedenbouwkundig plan voor de Alexanderplatz was afgewezen, de plannen van Stimmann en zijn architecten vergeleek met die van de nazi's. “Ze kijken terug op de periode 1933-1945 en zeggen dat er eigenlijk helemaal niks mis mee was”, beweerde hij.

Stimmann is niet bezweken onder de lawine van kritiek, maar de vergelijking met de nazi's moet hem pijn hebben gedaan. Want Stimmann is geen reactionaire hoge ambtenaar die terugverlangt naar een idylle die nooit heeft bestaan. Hij is een overtuigde sociaal-democraat die nog gelooft in planning. Het nieuwe Berlijn is misschien wel de laatste, heroïsche poging de stedenbouw niet zonder meer over te laten aan projectontwikkelaars en het kapitaal.

Maar Stimmans mogelijkheden zijn beperkt. De investeringen, 50 miljard mark voor 270 projecten, gaan de financiële draagkracht van de overheid ver te boven en dus moeten Berlijn en Stimmann wel in zee gaan met kapitaalkrachtige ondernemingen. Stimmann probeert de investeerders te laten bouwen in de Berlijnse traditie en te laten werken met architecten als de gematigde veelbouwers Josef Paul Kleihues en Hans Kollhoff, die onder meer de grootscheepse herinrichting van de Alexanderplatz voor hun rekening nemen.

Dit doet Stimmann niet alleen met kracht van argumenten, maar ook met de macht van vergunningen. Zo stelt de stad Berlijn bijvoorbeeld aan de nieuwe blokken in Friedrichstadt de eis dat ze gemengde functies hebben: niet alleen winkels en bedrijven, maar ook hotels en minimaal twintig procent woningen. En hoewel de blokken, in tegenstelling tot de negentiende eeuw, worden volgebouwd door slechts één investeerder, probeert Berlijn een gevarieerde bebouwing te bereiken door de zogenoemde stekkerdoosmethode: een blok wordt toegewezen aan een projectontwikkelaar die een coördinerende architect een globaal ontwerp laat maken. Deze laat de verschillende functies van het blok - woningen, kantoren, winkels, hotels - vervolgens ontwerpen door afzonderlijke architecten.

Soms zorgen architecten eigener beweging al voor een gevarieerde, traditionele bebouwing. Het mooiste voorbeeld hiervan is het blok met woningen, kantoren en winkels in Friedrichstadt van de Italiaan Aldo Rossi. Rossi verdeelde de vier wanden van het blok niet alleen in tientallen verschillende kleine façades, maar liet in zijn ontwerp ook de beruchte Hinterhöfe van de traditionele Berlijnse huurkazernes terugkeren.

Niet altijd is de stekkerdoosmethode succesvol. Weliswaar lukte het bij het immense, door Daimler-Benz gefinancierde project op de Potsdamer Platz de stedenbouwkundige opzet van Renzo Piano te laten invullen door zulke uiteenlopende architecten als de avantgardist Arato Isozaki en de traditionalist Hans Kollhoff. Maar bij het even grote, door Sony betaalde ontwerp voor de Potsdamer Platz is het de Duitse Amerikaan Helmut Jahn die zowel het grote geheel als de afzonderlijke delen voor zijn rekening neemt. Ook in de Friedrichstrasse staat inmiddels een gebouw waarbij Stimmanns macht tekortschoot: de door de Fransman ontworpen Berlijnse vestiging van de Galeries Lafayette heeft geheel glazen gevels.

Het zijn gebouwen als deze die het koor der critici het laatste jaar enigszins hebben doen verstommen. Maar misschien nog wel een belangrijkere reden voor het luwen van de Architektenstreit is dat in Stimmanns stenen Berlijn ook plaats is voor dissidenten. In ieder geval heeft Daniel Libeskind het woord nationaal-socialistisch niet meer gebruikt voor de toekomstige Duitse hoofdstad sinds hij zelf een van Berlijns 270 opdrachten kreeg.