Dia's

Maarten van elf is zwaar bijziend. Hij weet dat de ziekte erfelijk is, dat hij hem van zijn vader heeft gekregen en hem later ook zelf kan overdragen.

Door zijn bijziendheid kan hij niet fietsen of voetballen. Maar hij kan tekenen. Geef hem een potlood of penselen en hij maakt de mooiste miniaturen. “Gaaf”, zeggen zijn klasgenoten. “Rembrandt”, meent zijn boezemvriend.

Bij het opruimen van de zolder van school wordt een partij oude dia-glaasjes gevonden waar Maarten wel raad mee weet. Hij maakt ze schoon en begint ze te beschilderen. Met waterverf. Want er moet licht doorheen kunnen vallen.

Op de vraag wat hij schildert, antwoordt hij: “Ik maak een diaserie over de dierentuin voor de kleuters”, en buigt zich weer over zijn werk. Zijn neus raakt bijna het glaasje. Ieder kleurtje moet eerst drogen voordat hij een andere tint toe kan voegen. Het werk neemt weken in beslag. Maarten krijgt rode randen om zijn ogen.

Op de dag van de voorstelling zetten zijn klasgenoten de stoelen klaar en schuiven de gordijnen dicht. Maartens boezemvriend stelt de diaprojector op scherp en dan worden de kleuters gehaald. Wanneer iedereen zit, gaat het licht uit.

Op het doek verschijnt een pauw in prachttooi. De kinderen zijn meteen stil.

“Plaatje één”, zegt Maarten. “Een pauw. Een pauw houdt ervan om met zijn veren te pronken.” Hij schuift de volgende dia voor. “Plaatje twee, een spugende lama. Plaatje drie, een beer die twee jongen zoogt.”

Je kunt een speld horen vallen. De dieren zijn duidelijk en levensecht.

“Plaatje vier, het hangbuikzwijn. Die is erg lelijk. Hij is mislukt. Dat komt door het zaad van zijn vader. Slecht zaad.”