Decor van vele eigentijdse romans

Helden wie wir, Thomas Brussig, Verlag Volk & Welt Berlin (1996, 1ste druk 1995; imp. Die Weisse Rose, Amsterdam), ƒ 41,40. 333 blz., ISBN 3353-01037-8. Informatie over de toneelversie: (00 49 30) 8 44 12 25/6.

Der Zimmerspringbrunnen, Jens Sparschuh, uitgeverij Kiepenheuer & Witsch, (1996, eerste druk 1995), ƒ 41,70, 160 blz., ISBN 3-462-02440-X. Informatie over de toneelversie (5, 6, 19 en 30 okt.): (00 49 30) 20 22 10.

Nox, Thomas Hettche, uitgeverij Suhrkamp (1995), ƒ 44,80 (pocket vanaf december ƒ 19,05), 160 blz., ISBN 3-518-40636-1.

Johannis Nacht, Uwe Timm, uitgeverij Kiepenheuer & Witsch (1996), ƒ 50,40, 281 blz., ISBN 3-462-02556-2.

Een gevoelige snaar, Irene Dische, uitgeverij Van Gennep (1994), ƒ 49,90, 363 blz., ISBN 90-5515-010-X.

Sinds de val van de Muur op 9 november 1989 zijn over de jongste geschiedenis van Duitsland talloze romans verschenen. Meestal is Berlijn het decor en vaak komen de schrijvers daar ook zelf vandaan. Een van de vragen die aan de orde komen is wie de Berlijnse Muur heeft opengebroken. De gezamenlijke DDR-bevolking? In Thomas Brussigs roman Helden wie wir bestaat het Oostduitse volk uit lafaards, lijdzame sukkels en brave kneuteraars: geen geschikt gezelschap voor het plegen van een revolutionaire daad.

Honend laat de schrijver, zelf afkomstig uit het oostelijke deel van Berlijn, zijn ik-verteller rapporteren dat de meute op die bewuste negende november geduldig stond te wachten tot Het Gezag de eerste stenen van de Muur zou komen verwijderen.

Als deze verteller niet zelf van de partij zou zijn geweest, zou men er nog steeds hebben gestaan. Klaus Uhltzscht beweert dat hìj de Muur heeft geopend door zijn penis aan de grenswachters te tonen. En waarom schrokken zij daar zo van? Omdat ze nog nooit zo'n grote hadden gezien. Zo dom als deze samenvatting ook mag klinken, zo intelligent is Brussigs boek an sich. Op het moment waarop Uhltzscht staande voor de Muur zijn anders altijd angstvallig weggemoffelde piemel bevrijdt, bevrijdt hij ook zijn volk: het hilarische verhaal over het seksuele ontwaken van een Oostberlijnse jongeman laat zich lezen als een complete DDR-geschiedenis.

Natuurlijk is dat een geschiedenis vol leed en onderdrukking, beginnende in het gezin. Onwetend, onderdanig, beschaamd en vol misplaatste grootheidsfantasieën struikelt de kleingehouden Klaus van puberteit naar adolescentie. Al zijn pogingen tot zelfstandigheid worden in de kiem gesmoord door zijn mama, een 'hygiëne-inspectrice' die de aanvankelijk kleuterkleine genitaliën van haar zoon zelfs nog bepoedert als hij al minstens zestien is. Geen wonder dat dit Lulletje Rozewater bij de Stasi gaat werken. De DDR van Thomas Brussig is een moeder die haar kinderen door haar betutteling bijkans verstikt. En de Moeder aller Moeders is Christa Wolf.

Wat de 31-jarige Brussig haar en haar socialistische generatiegenoten het meest verwijt is dat zij nooit luid en duidelijk hebben geroepen: 'De Berlijnse Muur moet weg!' En bij wijze van woordspeling op Wolfs kritisch-brave roman Der geteilte Himmel heet zijn hoofdstuk over de grote schrijfster Der geheilte Pimmel.

Van de bestseller Helden wie wir werd een toneelstuk gemaakt dat in het Deutsches Theater al maandenlang volle zalen trekt. Ook een andere satirische Berlijn-roman glorieert nu als toneelversie: Der Zimmerspringbrunnen van Jens Sparschuh beleefde op 12 september zijn première in het Maxim Gorki Theater, eveneens in het oosten van de stad. In Sparschuhs boek, net als dat van Brussig één jaar oud, is de Duitse hereniging al lang en breed een feit wanneer de lethargische hoofdpersoon Hinrich Lobek eindelijk eens van zijn sofa komt. Lobek, een van de vele abgewickelte oftewel werkloos gemaakte Oostberlijners, krijgt tot zijn stomme verbazing een baan bij een Westduits bedrijf en hij klimt al snel op tot Vertreter-Ost. Niet dat hij nu zo'n vlotte babbel heeft of dat zijn stadsgenoten zitten te springen om de nutteloze kamerfonteinen die hij aan de man moet brengen.

Nee, door een ongelukje ziet de sullige held zich genoodzaakt een van die fonteinen stiekem te repareren, en wat er dan in zijn hobbykamer ontstaat, lijkt sprekend op zijn ten onder gegane vaderland. In het midden prijkt de Fernsehturm, het trotse waarmerk van het socialistische Berlijn, en daaromheen staat alles onder water. Dit nieuwe model, Atlantis gedoopt, roept dermate sterke nostalgische gevoelens op bij de inwoners van de voormalige Hauptstadt der DDR dat het binnen de kortste keren is uitverkocht.

Sparschuh, eenenveertig jaar geleden in Karl-Marx-Stadt geboren, heeft zijn satire verweven met een treurig liefdesverhaal: het kerstfeest brengt de door zijn vrouw verlaten succes-vertegenwoordiger door temidden van zuipende zwervers in het vuile Bahnhof Zoo. Een nog vuiler en nog godverlatener Berlijn schetst de 32-jarige Thomas Hettche in Nox (1995), het Latijnse woord voor nacht. Nauwkeurig legt de verteller uit hoe hij vermoord werd: 'Van links naar rechts sneed ze, en de scherpomrande wond ging meteen wijd open.' Nu hij toch niet meer leeft kan hij de pijn onverschrokken beschrijven.

Ook Berlijn heeft pijn, meent de dode man. De grensstrook vergelijkt hij met een afzichtelijk operatielitteken dat nooit meer gaaf zal worden en een snijtafel in het Oostberlijnse Charité-ziekenhuis doet dienst als bed voor een sadomasochistisch paar. Is dit Hettches schrikbeeld van het herenigde Duitsland? Sommige Duitse critici menen van wel: zij gaven de vrouwelijke helft van het perverse, elkaar verminkende stel de naam Germania.

Uwe Timm (Hamburg, 1940) schurkt in Johannisnacht het dichtst van allemaal tegen het heden aan: zijn ik-verteller beleeft de raarste Berlijnse avonturen in de drie dagen en nachten waarin Christo daar de Reichstag verhult. Zijn onderzoek voor een verhaal over 'de geschiedenis van de aardappel' brengt deze Ik in oost en west, bij stadsnomaden en techno-meisjes, bij wapenhandelaars en werkloze kappers. Fanatici ontmoet hij en charmante bedriegers: de rafelrand van Berlijn wordt in Timms pas verschenen roman bevolkt door vitale types die met flair het hoofd boven water trachten te houden. Doordat hij de chaos zo vrolijk beschrijft, komt Timms kritiek op het Grootduitse kapitalisme niet echt als een mokerslag aan.

De jacht op harde Duitse marken is ook een thema in Een gevoelige snaar van Irene Dische. Een Berlijns vluchtelingenkamp weerspiegelt de maatschappij daarbuiten: gierige Westberlijners struinen het kamp af op zoek naar goedkope arbeidskrachten en de directie neemt in ruil voor illegale bemiddeling tevreden steekpenningen in ontvangst. Maar Dische maakt van de armoedzaaiers geen slachtoffers: door noest zwartwerken hebben zij al heel wat meer bij elkaar verdiend dan ze in een oude sok kunnen stoppen.

De schelmenroman van de Berlijns-joods-Amerikaanse Dische verscheen in 1993 en de Nederlandse vertaling dateert uit 1994. Zo snel gaat de tijd, zo oud is Disches boek alweer. Zoveel gebeurt er in Berlijn, dat noch de boekbesprekers, noch de schrijvers het bij kunnen benen. En van die laatsten lijkt een enkeling hevig naar vroeger terug te verlangen.

De verteller in Johannisnacht: “Ik ben twintig jaar geleden naar Berlijn gekomen, wilde mijn dienstplicht ontlopen. De stad was toen nog een verzamelplaats voor dwarskoppen en alternatievelingen. Een sociale biotoop, ommuurd, goed bewaakt. Nu komen hier al die jongens die snel rijk willen worden. Ik denk erover weg te gaan.”