Binnenplaatsen grauw en prachtig

Elke voormalige huurkazerne heeft een, twee, drie of meer Hinterhöfe. Ze zijn begonnen aan een tweede leven. Een bezoek aan de achterkant van Berlijn: pittoreske armoede en gladde renovatie.

Het is vervelend een verhaal over Berlijn te beginnen met de roman Berlin Alexanderplatz - zo beroemd, zo geijkt - maar soms kan het niet anders. Want in het eerste hoofdstuk geeft Alfred Döblin precies aan wat een binnenplaats in deze stad betekent. Held Franz Biberkopf is net uit de gevangenis in Tegel ontslagen en neemt de tram naar het centrum. Hij stapt uit op de Rosenthaler Platz en deinst terug voor de drukte, de reclames, de kousenbenen. Biberkopf vlucht zomaar een huis binnen, loopt door de gang en opent weer een deur: 'De binnenplaats was somber en donker, en de muren hoog en grauw. Hij stond naast de vuilnisbak. Plotseling begon hij te zingen (-). De hoge muren echoden het geluid terug. Zó was het goed. Hij zong zo hard als hij in de gevangenis nooit had mogen zingen.'

Eenvoudiger kan het niet. Somber en donker, hoog en grauw, ja, zo zijn de binnenplaatsen, waarvan elke Berlijnse huurkazerne er een heeft, of twee, of drie. En dan die zin 'Hij stond naast de vuilnisbak'. Op de meeste binnenplaatsen kun je alleen maar naast de vuilnisbak staan, zo klein zijn ze. Op de meeste binnenplaatsen is ook niets anders te doen dan naast de vuilnisbak staan. 'Geen hete as inwerpen' is erin gestanst - nog steeds stoken veel Berlijners kolen.

Het geraffineerdste van de passage is dat Döblin het zegt zonder het te zeggen: de Berlijnse binnenplaats, dat is een gevangenis. En toch is dit stuk een lofzang op de Berlijnse binnenplaats, op de negentiende-eeuwse straten van Kreuzberg en Prenzlauer Berg, Wedding en Mitte die door architectuurgidsen meestal veronachtzaamd worden omdat er geen kerken en monumenten zijn, maar die beschikken over hun eigen, bittere charme. Ze zijn voor het uiterlijk van de stad uiteindelijk van meer belang dan Schinkels musea en Henselmanns Fernsehturm; er zijn er eenvoudig meer van.

En binnenplaatsen zijn er nog meer dan straten. Wie ze eenmaal achter de potsierlijk protserige gevels weet te vinden, krijgt een cadeau: de stad wordt opeens tweemaal zo groot. Loop door de straten en denk aan de weidse vlakte achter de gevel van de Krüll Strasse in Treptow, aan de geglazuurde tegels van bedrijfshof 1, 2, 3 en 4 van de Paul Lincke Ufer in Kreuzberg, aan de bakstenen paardenstal in de August Strasse in Mitte en zelfs aan de nauwe dertien-in-een-dozijn-binnen- plaatsen waarover Döblin schreef.

Op de eerste plaats is deze lofzang natuurlijk de lofzang van een toerist die waardeert wat afwijkt van het bekende, die armoede vaak pittoresker vindt dan rijkdom en slechte verlichting romantisch noemt. Maar ook de Berlijners zelf zijn bezig hun Hinterhöfe te herwaarderen. De huurkazernes waar ze bijhoren, worden in ieder geval niet meer geheel afgebroken, zoals na de oorlog het geval was, toen zowel in West- als in Oost-Berlijn alsnog veel werd opgeblazen van wat de geallieerde bommen hadden laten staan. In het oosten is uiteindelijk minder afgebroken dan in het westen, maar de voornaamste reden daarvoor is geldgebrek - de bouwkundige idealen van West en Oost liepen verrassend parallel.

Berlijn heeft zijn binnenplaatsen te danken aan de gierigheid van de Duitse keizer, het winstbejag van de opkomende burgerij en de nood van de arbeiders uit Pommeren, Silezië en Oost-Pruisen die afkwamen op de ontluikende industrie en de bevolking van de stad in een paar decennia deden verdubbelen. De overheid wilde zo min mogelijk geld uitgeven aan straten, de burgers wilden uit hun kostbare grond de maximale huuropbrengst halen en de arbeiders moesten wonen. Daarom is Berlijn een stad zonder zijstraten, en met honderden achterhuizen. De enige restrictie aan de bouwwoeker stelde de brandweer. Een binnenplaats moest minimaal 5,3 bij 5,3 meter zijn: zoveel ruimte had de brandspuit nodig om te kunnen draaien.

In de Acker Strasse in West-Berlijn werden in 1972 de laatste resten van Meyers Hof opgeruimd. Dit complex, bijgenaamd de Zilleburg omdat Heinrich Zille er zo vaak de ellende van heeft geschilderd, was met zijn zes binnenplaatsen in de jaren twintig de beruchtste Berlijnse huurkazerne geworden. Meer dan duizend mensen woonden er. De zon bereikte de vloer van de zeven meter brede binnenplaatsen een half uur per dag.

De Acker Strasse is nu aangedaan door de goede bedoelingen van het modernisme die in de jaren zestig en zeventig werden verwezenlijkt: hoge flats, veel hoger dan de huurkazernes met hun vijf verdiepingen, van de straat afgekeerde strokenbouw en door niemand benutte stukken gras. Maar dit geldt alleen voor het westelijke deel van de straat. Vroeger liep de muur door de Acker Strasse en in het oostelijk deel zijn de oude huurkazernes blijven staan. Daar willen Westberlijners nu wonen. “Ik heb er net met vijftien anderen een pand gekocht”, vertelt beeldend kunstenaar Fritz Baldhaus in een café in de rijke westelijke wijk Schöneberg, waar hij nu nog woont. “Die anderen zijn theatermakers, architecten, kunsthistorici. We zijn geen vrienden, maar het is wel prettig met gelijkgestemden te wonen.” In de negentiende eeuw was dat anders: toen was elke huurkazerne een stad in een stad. Beneden voor, op de belle étage, woonden fabrikanten en artsen. Op de zolder van het laatste achterhuis huisden de arbeidersfamilies die hun bed overdag verhuurden aan een Schlafbursche die helemaal geen onderkomen had.

Aan de gevels was de armoe in het achterhuis niet af te lezen. Alle huizen pochten met zuilen en timpanen - paleizen leken het, al viel nooit met zekerheid te zeggen uit welke eeuw ze dateerden. Een architect kwam er meestal niet aan te pas; de eigenaar of de aannemer zocht in een catalogus de ornamenten van zijn gading bij elkaar: classicisme, barok, gotiek, alles werd aan de gevel gehangen.

Hoe de woningen achter deze gevels er vroeger uitzagen, is te zien in het museum Berliner Arbeiterleben in de Husemannstrasse, die door de DDR als een soort openluchtmuseum werd gerenoveerd. Het museum werd een jaar geleden wegens geldgebrek gesloten, maar is nu weer een paar maal per week geopend dankzij de inzet van vrijwilligers die dit verleden van de stad niet willen laten vergeten.

Meer klandizie dan het museum trekt een restaurant dat zich een paar huizen verder in de Acker Strasse in een brouwerij heeft gevestigd. Ja, het is echt een brouwerij en geen kerk - in de negentiende eeuw trok men zich van het adagium 'form follows function' niets aan. “Laatst zag ik hier zowel de Senatsbaudirektor als de directeur van de Schaubühne aan een tafeltje zitten”, vertelt Wolfgang Feyerabend van boekhandel GehWerk. In het koetshuis zetelt, al weer, een galerie.

De gentrification van de Acker Strasse volgt op de korte periode na de Wende dat de wijken Mitte en Prenzlauer Berg vrijplaatsen waren. Veel huizen hier waren zo vervallen dat ze onbewoonbaar waren geworden. Jonge kunstenaars en potsenmakers trokken erin en knapten ze zelf op. Maar nu de gebouwen teruggegeven worden aan de eigenaren van voor de communistische onteigening moeten ze weer verdwijnen - tenzij ze geluk hebben, zoals de bewoners van nummer 4. Hun huis bleek eigendom van een dame die al lang geleden naar een nieuwbouwwijk was verhuisd. De dame vond zichzelf te oud om zich nog met het huis te bemoeien en schonk het aan de bewoners. In het pand is nu onder meer de galerie Art Acker gevestigd. Niet ver daarvandaan ligt de geheime Galeriemeile van Berlijn. In de August Strasse zijn nu zelfs uit Keulen afkomstige galeries gevestigd.

Ook in andere delen van de stad, vooral in Prenzlauer Berg, lukt het de bewoners soms hun huis te behouden - van krakers worden ze eigenaar. Soms wordt een huurkazerne omgevormd tot woongemeenschap: dan wordt zelfs de wc op de binnenplaats, die gruwel van de negentiende eeuw, weer in gebruik genomen.

In de jaren tachtig daagde in Berlijn het besef dat de huurkazernes niet helemaal afgebroken hoefden te worden. Op de kaalslagsanering volgde de Entkernung: een of meerdere achterhuizen werden afgebroken. Op het vrijgekomen stuk grond wordt vaak een kinderspeelplaats aangelegd. Langzamerhand krijgen veel hoven ook hun bedrijfsfunctie weer terug.

De Hackeschen Höfe aan het begin van de Rosenthaler Strasse zijn het paradepaardje van deze oplevende Hinterhofcultuur. Maar liefst negen hoven telt dit uit 1903 stammende complex, dat toen al luxer was dan de omringende gebouwen. De gevel van het dwarsgebouw in de eerste hof is een Jugendstil-schilderij van glimmende witte en blauwe tegels, ontworpen door August Endell. Het voorbeeldig gerestaureerde complex geeft een volledig ander beeld van een Hinterhof dan de gevangenis van Alfred Döblin. Het is er niet stil, niet saai en niet somber: de vereniging die het complex bestiert, roemt het samengaan van wonen, werken en uitgaan dat hier tot stand is gebracht. Lang was het onder architecten en stedenbouwers mode die drie dingen gescheiden te houden - de slaapsteden aan de rand van de stad getuigen ervan. Maar ook de huurkazernes uit de negentiende eeuw verloren in de twintigste eeuw veel van hun bedrijvigheid. “Dat gebeurde voor een deel uit hygiënische overwegingen”, zegt Wolfgang Feyerabend. “Vroeger kon een lijmkokerij zich rustig tussen de woningen vestigen. De kwalijke dampen bleven op de binnenplaats hangen.”

Rondom de binnenplaatsen zijn nu cafés, twee theaters, een bioscoop, een antiquariaat, modezaken, galeries en een erotisch museum gevestigd. Zelfs het elektriciteitshuisje op het achterste hof wordt voor cultuur benut: avant-garde galerie Arndt & Partner gebruikt het sinds kort voor tentoonstellingen. De Hackeschen Höfe, die zichzelf trots het grootste Hinterhofcomplex van Europa noemen, proberen aan te knopen bij de gouden jaren twintig in Berlijn, toen het complex ook een trefpunt was van - joods - cultureel leven. Het variété-theater heeft dezelfde naam gekozen als een voorganger uit die tijd: Chamäleon.

Veel Berlijners hebben het niet zo op het complex: “Het is te opgepoetst”, zegt een buurtbewoonster. “De sfeer is verdwenen.” Ze noemt het complex een toeristenfuik. De hoven hebben zelfs namen in plaats van nummers en op de derde, de Brunnenhof, is aan een kromgegroeide boom het bordje Baum gehangen. Geen toerist zal hier zijn hoofd nog stoten.

De Kunsthof in de Oranienburgerstrasse is nog niet gerestaureerd. Daarmee wordt volgende week begonnen, in opdracht van hetzelfde bedrijf dat de Hackeschen Höfe liet renoveren. Wolfgang Feyerabend van de op deze grote binnenplaats gevestigde boekhandel GehWerk onderkent het gevaar van te grondig oppoetsen. “Maar wat is het alternatief? De huizen nog verder laten vervallen?”

Feyerabend begon twee jaar geleden als eerste wandelingen langs de binnenplaatsen te organiseren. Nu zijn er nog twee organisaties die dat doen. Het is een goede manier om kennis te maken met de Höfe omdat voor het betreden ervan een zekere schroom overwonnen moet worden, zeker als er geen bedrijven in gevestigd zijn. Aparte literatuur over de binnenplaatsen bestaat er nog niet, maar Feyerabend werkt aan een boek.

Een wandeling door de Acker Strasse is een wandeling door de tijd. In het voormalige oosten van de stad bieden de huizen in deze wijken een totaal verschillende aanblik - ook al zijn ze vrijwel in hetzelfde jaar ontstaan. Een vers roze geschilderd exemplaar staat naast een huis dat al zijn ornamenten verloren heeft, dat gevolgd wordt door een gevel die sinds 1945 alleen maar kogelgaten heeft om mee te pronken. Disneyland naast oorlogsverdriet.

Ook de binnenplaatsen lijken uit verschillende tijden te stammen. Op de ronde boog in het portaal is soms nog in gotische letters te lezen: 'Grüss Gott, tritt ein, bring Glück herein'. Maar op de hof geeft een verordening van het stadsbestuur uit 1959 een andere indruk: 'Het spelen van kinderen op de binnenplaats en het rondhangen voor de deur is ten strengste verboden.' Het uitkloppen van tapijten en deurmatten blijkt in hetzelfde jaar ook aan strenge regels gebonden: dat mag alleen op vrijdag en zaterdagmorgen. Inmiddels heeft het bestuur andere zorgen: op een gezellige poster vraagt de ene huurkazerne nu aan de andere of zijn hof al groen is: voor beplanting van somber, donker, hoog en grauw kunnen de bewoners tegenwoordig subsidie krijgen.