Waarnemer in Bosnië

Een beetje troost is de Bosniërs nog gebleven en wel in de vorm van goedkope pruimenjenever en vooral tabaksrook. Cafés, disco's, kantoren, overal staat het bol van de rook. Op een vroege ochtend, de zon nog schuin achter het bedauwde gras, zag ik een eenzaam mannetje voortstampen onder wolken verse blauwe rook, een locomotiefje, op weg naar wat? Niet naar werk, want dat is er bijna niet meer.

Wanja, onze aardige meisjestolk van negentien jaar, joeg er drie pakjes sigaretten doorheen, dat is drie Duitse mark per dag, een heel salaris. Eindelijk kon ik dus eens ongediscrimineerd mijn pijp laten meewalmen in het grote tabaksconcert van mijn broeders, de gulle Bosniërs.

We zeilden met een Hercules van de Griekse luchtmacht Sarajevo binnen. Met overal het brutale oog van de televisie zijn er niet veel geheimen of verrassingen meer: het stuk zwarte tarmac naar het brokkelige stationsgebouw, hoe vaak al déjà vu ter gelegenheid van al die meestal vruchteloze bezoeken van zoveel hotemetoten in kogelvrij vest; in de grijze oudheid Owen en Vance, onze eigen Voorhoeve en niet te vergeten Karremans.

In een halve cirkel rond het vliegveld de kapotgeschoten wijken en aan de horizon de vrij platte toppen van de berg Igman vanwaar het zo comfortabel vuren was. Verder verwijderd van het vliegveld is de stad nauwelijks geschonden maar wel verlopen. Stromen mensen op de kale neostalinistische boulevard, drommen rond de busstations. De hemel mag weten waar ze heen willen, het is of ze zijn opgeroepen als figuranten voor een film die achteraf niet is doorgegaan.

Ons groepje is bestemd voor de Federatie van Moslims en Kroaten, zo fragiel als spinrag. De 'Republik Srpska' is de derde partner van de republiek Bosnië, wat homogener want nóg consequenter etnisch gezuiverd. Moslims en Kroaten hebben ooit tezamen tegen de Serviërs gevochten, daarna even hard en wreed tegen elkaar.

In een nog vrij nieuwe Duitse bus deint ons clubje oorlogstoeristen comfortabel Centraal-Bosnië binnen. Het landschap wordt wilder en mooier, oplopend naar middelgebergte met zwaarbeboste hellingen en snel stromende rivieren. Ik zou er graag terugkomen om te wandelen en naar Bruin Beer te zoeken, maar de eerste tien jaren zal het niet kunnen. In onze tas hebben we de kaart van de mijnenvelden, twee miljoen stuks, dwars door die mooie bossen. We deinen verder, eerst door moslimgebied, maar daarna komen we door Kroatische zones. Je merkt de overgangen doordat de buitenranden van de enclaves niemandsland zijn geworden, de huizen kapot en het terrein soms omgeploegd om een beter schootsveld te krijgen. Het niemandsland van de 'Confrontation Lines', zoals het heet in het klinische jargon van de IFOR-militairen. Daarentegen is aan de binnenkant van de dorpen en stadjes niet veel vernield, verdwaalde kogelgaten daargelaten. Als slordig geregen ketens van krakelingen liggen de enclaves aan en door elkaar, ieder met z'n eigen moslim- respectievelijk Kroatische politie en legertjes en ieder met een eigen munt die men in de andere zone niet wil. Volgens Dayton hadden leger en politie allang moeten samensmelten; of het ervan zal komen?

De Kroatische enclaves lijken welvarender en 'netter'. Deels zal dit komen omdat zij steun krijgen uit Zagreb en ook omdat tienduizenden Kroaten in Duitsland en Oostenrijk werken. De disco's en terrassen zijn er propvol en het wemelt er van auto's met Duitse of Oostenrijkse nummerborden. Het vriendje van onze Wanja is soldaat in het Bosnisch-Kroatische leger, hij verdient een naar omstandigheden zeer goed salaris... betaald door Zagreb.

Eindelijk is het dan verkiezingsdag. We gaan op pad, met tweetallen in een auto met chauffeur en tolk. Vóór de indeling zit het moslim- respectievelijk Kroatisch personeel te wachten, ieder in een hoek van de hal in ijzige onderlinge stilte. Een wonder dat het was gelukt het personeel van de stembureaus gemengd bij elkaar te krijgen, zij het na zware internationale druk via Sarajevo. Nu leek de samenwerking tussen moslims en Kroaten goed te verlopen. Blijkbaar kwam de tegenwerking van de lokale politici en vindt ieder, ook de potentaatjes zelf, het wel goed als van hogerhand met de vuist op tafel wordt geslagen en gezegd wordt hoe het moet.

Mijn collega Hainu, een dikke vrolijke Fin van justitie in Helsinki, en ik doen de ronde in het district Busovaca, zestien bureaus. Wij hadden het niet moeilijk, er werd rustig en efficiënt gewerkt, in de rijen wachtenden werd zacht gesproken of gefluisterd, zonder emotie of wanklank, en ook hier de lokalen bol van de rook.

Wij keken wat, wij spraken met kiezers en vooral met de vertegenwoordigers van concurrerende partijen, voor zover aanwezig. Hadden ze problemen, kritiek? Ne, nee, nee, njema problema, we hebben het wel honderd keer gehoord. Je zou zeggen dat Bosnië het vredigste land van de wereld zal worden. Alleen hebben die aardige rustige mensen toch weer in grote meerderheid op hun oude etnisch-nationalistische leiders gestemd. Willen ze dan toch helemaal uit elkaar?