Schrik van Mexicaanse crisis is weggeëbd

WASHINGTON, 2 OKT. In de wereld van de opkomende markten draait het om risico-inschatting en om de vraag wie voor de financiële gevolgen van een volgende crisis opdraait. Particuliere banken en westerse overheden zijn het op hoofdpunten met elkaar eens: risicodragend kapitaal moet niet vanzelfsprekend kunnen rekenen op een reddingsoperatie met overheidsgeld.

Anderhalf jaar geleden schokte de valutacrisis in Mexico de internationale financiële markten. Mexico werd 'gered' met een overlevingspakket van vijftig miljard dollar dat onder zware Amerikaanse politieke druk bijeen werd gebracht.

Mexico is voor de Verenigde Staten een strategisch belang. Dat vormde een niet onbelangrijk aspect van de hulpactie.

Maar nu stellen de grote internationale banken, verenigd in het Institute of International Finance (IIF), een organisatie waarvan onder meer de drie Nederlandse bankconglomeraten lid zijn, dat dergelijke reddingsoperaties ongewenst zijn. “Marktdeelnemers beschouwen officiële reddingsoperaties niet als een realistisch of wenselijk alternatief”, aldus het IIF. “Het is onvermijdelijk dat sommigen in een crisis grote verliezen lijden. Maar dit is een essentieel onderdeel van het systeem van risico's en beloningen in iedere gezonde markt.”

Met deze stellingname reageert het Institute of International Finance op een rapport van de Groep van Tien (de belangrijkste industrielanden, waaronder Nederland) dat deze zomer uitkwam met als onderwerp hoe grote internationale financiële crises zoals 'Mexico' in de toekomst aangepakt moet worden. “Een land dat schulden maakt en de krediteuren moeten niet verwachten dat ze geïsoleerd kunnen worden van negatieve financiële gevolgen door de beschikbaarheid van grote financiële bedragen in geval van een crisis”, aldus het G-10 rapport. In geval van een risico voor de houdbaarheid van het internationale financiële systeem moeten de internationale instellingen zoals het IMF en de Bank voor Internationale Betalingen evenwel klaar staan om in te grijpen.

Het Institute of International Fianance is nog terughoudender: “Wij waarschuwen krachtig tegen de aanbeveling van de G-10 om het IMF toe te staan aan landen te lenen die onopgeloste betalingsachterstanden hebben aan particuliere krediteuren.”

De omvang van de particuliere kapitaalstromen naar 'opkomende' ontwikkelingslanden groeit ondertussen astronomisch. De schrik na de Mexicaanse crisis van vorig jaar heeft geen blijvend effect gehad. Op een totaal van netto 239 miljard dollar aan externe financiering aan ontwikkelingslanden in 1996 bestaat een recordbedrag van 225 miljard uit particuliere kapitaalstromen en 14 miljard uit officiële ontwikkelingshulp. Het betekent dat in 1996 netto vijftien keer zoveel particulier kapitaal in ontwikkelingslanden wordt geïnvesteerd als aan officiële ontwikkelingshulp wordt verstrekt. Vijf jaar geleden, in 1991, was het ontwikkelingsbedrag nog groter dan dat van de particuliere sector.

Ook het aantal landen waarop het particuliere kapitaal zich richt, breidt zich snel uit: van elf in 1990 tot dertig dit jaar. Vorig jaar bedroeg de netto-particuliere kapitaalstroom 208 miljard dollar. Voor 1997 wordt een lichte daling verwacht.

Volgens de schatting van het Institute of International Finance bestaat van het totaal van 225 miljard dollar bijna de helft, 110 miljard, uit aandelenkapitaal (directe investeringen) 50 miljard dollar uit obligatieleningen, en de rest uit commerciële bankleningen (64 miljard) en andere financiële instrumenten. Niet alleen traditionele banken, maar ook investeringsbanken, beleggingsfondsen, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen beleggen in opkomende landen. De verbreiding van deze financiële basis, zowel wat betreft het aanbod als de omvang en de spreiding over landen, versterken de privatisering van de ontwikkelingsfinanciering, aldus het Institute of International Finance.